ECLI:NL:RVS:2018:4181
Raad van State
- Hoger beroep
- C.H.M. van Altena
- R. van der Spoel
- B.J. Schueler
- Rechtspraak.nl
Bevestiging bestuurlijke boete voor onrechtmatig in gebruik geven woonruimte zonder huisvestingsvergunning
Het college legde op 3 november 2016 een bestuurlijke boete van €4.000 op aan [appellante] wegens het in gebruik geven van woonruimte aan personen die niet beschikten over een huisvestingsvergunning. De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep van [appellante] tegen deze boete ongegrond. [appellante] stelde in hoger beroep dat zij slechts als beheerder en bemiddelaar optrad en niet als overtreder kon worden aangemerkt, omdat zij niet de huurovereenkomst had gesloten en de eigenaar de uiteindelijke verhuurder was.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat de overtreder degene is die het wettelijke voorschrift daadwerkelijk schendt, en dat dit ook kan gelden voor degene aan wie de overtreding kan worden toegerekend. Uit de huurovereenkomst en de feitelijke situatie bleek dat [appellante] als beheerder nauw betrokken was bij het verhuren van de woonruimte, de sleutels aan huurders overhandigde, de huurpenningen incasseerde en als verhuurder werd opgegeven in de verhuurdersverklaring en aangifte van verhuizing.
De Raad van State stelde vast dat [appellante] zelfstandig handelde en een cruciale rol had bij het feitelijk aanbieden van de woonruimte zonder huisvestingsvergunning. De rol van de eigenaar was marginaal. Daarom was het college terecht van oordeel dat [appellante] als overtreder kon worden aangemerkt. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De bestuurlijke boete van €4.000 aan [appellante] wegens het in gebruik geven van woonruimte zonder huisvestingsvergunning wordt bevestigd.