ECLI:NL:RVS:2019:2884
Raad van State
- Hoger beroep
- J.J. van Eck
- G.M.H. Hoogvliet
- H.C.P. Venema
- Rechtspraak.nl
Bevestiging bestuurlijke boetes voor overtreding Huisvestingswet door mede-eigenaren appartement
Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam legde op 24 mei 2017 aan [appellant A] en [appellant B], beiden mede-eigenaren van een appartementsrecht, afzonderlijk een bestuurlijke boete van €13.500,- op wegens overtreding van artikel 21 van Pro de Huisvestingswet 2014. De overtreding betrof het zonder vergunning onttrekken van woonruimte aan de bestemming tot bewoning door verhuur aan toeristen.
Na het ongegrond verklaren van hun bezwaar door het college en het afwijzen van hun beroep door de rechtbank Amsterdam, stelden de appellanten hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Zij voerden aan dat zij niet verantwoordelijk waren voor de overtreding, dat zij onvoldoende toezicht hadden gehouden en dat slechts één boete had mogen worden opgelegd omdat zij mede-eigenaren zijn.
De Afdeling oordeelde dat de appellanten als eigenaren verantwoordelijk zijn voor het gebruik van de woning en dat zij niet aannemelijk hebben gemaakt dat zij niet wisten of konden weten van de verhuur aan toeristen. Het feit dat zij in Duitsland wonen en de beheerder tekortschiet, ontslaat hen niet van hun eigen verantwoordelijkheid. Ook is het college bevoegd om aan ieder van hen afzonderlijk een boete op te leggen. De boete is wettelijk vastgesteld en er zijn geen bijzondere omstandigheden die matiging rechtvaardigen.
De Afdeling verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de opgelegde bestuurlijke boetes van €13.500,- per appellant worden bevestigd.