ECLI:NL:RVS:2018:4229

Raad van State

Datum uitspraak
20 december 2018
Publicatiedatum
21 december 2018
Zaaknummer
201706109/1/V3
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • N. Verheij
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 Vreemdelingenwet 2000Art. 8:54 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid hoger beroep staatssecretaris in vreemdelingenrechtelijke zaak

Bij besluit van 22 december 2015 wees de staatssecretaris een aanvraag van een vreemdeling om afgifte van een verblijfsdocument als gemeenschapsonderdaan af. De vreemdeling maakte bezwaar, dat op 29 maart 2016 ongegrond werd verklaard. De rechtbank stelde de staatssecretaris in de gelegenheid een gebrek te herstellen, maar na weigering verklaarde zij het beroep gegrond en vernietigde het besluit.

De staatssecretaris stelde hiertegen hoger beroep in. Tijdens de procedure bevestigde hij dat de vreemdeling inmiddels op een andere grondslag rechten ontleent aan het VWEU en dus in aanmerking komt voor het gevraagde document. Hierdoor zag de Raad van State geen belang meer bij het hoger beroep.

De Raad van State verklaarde het hoger beroep daarom niet-ontvankelijk en veroordeelde de staatssecretaris tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdeling en het griffierecht. Het hoger beroep had geen kans op een gunstiger uitkomst voor de staatssecretaris.

Uitkomst: Het hoger beroep van de staatssecretaris wordt niet-ontvankelijk verklaard en hij wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.

Uitspraak

201706109/1/V3.
Datum uitspraak: 20 december 2018
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 27 juni 2017 in zaak nr. 16/6422 in het geding tussen:
[de vreemdeling], mede voor haar minderjarige kind,
en
de staatssecretaris.
Procesverloop
Bij besluit van 22 december 2015 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om afgifte van een document als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000), waaruit rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan blijkt, afgewezen.
Bij besluit van 29 maart 2016 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij tussenuitspraak van 1 juni 2017 heeft de rechtbank de staatssecretaris in de gelegenheid gesteld om het in die uitspraak geconstateerde gebrek te herstellen.
Bij uitspraak van 27 juni 2017 heeft de rechtbank, nadat de staatssecretaris te kennen had gegeven geen gebruik te zullen maken van de gelegenheid het gebrek te herstellen, het door de vreemdeling tegen het besluit van 29 maart 2016 ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen.
Tegen deze uitspraken heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.
De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. J.B. Bierbach, advocaat te Amsterdam, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De staatssecretaris heeft nadere stukken ingediend.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1.    Bij brief van 27 november 2018 heeft de staatssecretaris desgevraagd bevestigd dat ten aanzien van de vreemdeling inmiddels, zij het op een andere grondslag, is vastgesteld dat zij rechten kan ontlenen aan het VWEU.
2.    De staatssecretaris heeft geen belang bij het door hem ingestelde hoger beroep, nu niet valt in te zien dat hij daardoor in een gunstiger positie zou kunnen geraken omdat met voormelde vaststelling de vreemdeling in aanmerking komt voor de afgifte van het door haar verzochte document als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vw 2000, waaruit rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan blijkt. Dat een beoordeling van het hoger beroep mogelijk invloed heeft op toekomstige gevallen is onvoldoende om processueel belang bij de beoordeling van het hoger beroep aan te nemen.
3.    Het hoger beroep is kennelijk niet-ontvankelijk.
4.    De staatssecretaris dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.    verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
II.    veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 501,00 (zegge: vijfhonderdeen euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
III.    bepaalt dat van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een griffierecht van € 501,00 (zegge: vijfhonderdeen euro) wordt geheven.
Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.A. Verweij, griffier.
w.g. Verheij    w.g. Verweij
lid van de enkelvoudige kamer    griffier
Uitgesproken in het openbaar op 20 december 2018
722.