ECLI:NL:RVS:2018:663
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- F.D. van Heijningen
- B.J. Schueler
- Rechtspraak.nl
Bevestiging vernietiging boete wegens onvoldoende bewijs van overtreding Arbowet bij valgevaar containerlading
Op 19 mei 2014 raakte een werknemer gewond doordat een stapel autobanden uit een zeecontainer viel tijdens werkzaamheden. De minister legde een bestuurlijke boete van €21.600,- op aan de werkgever wegens overtreding van artikel 16, tiende lid, van de Arbowet in samenhang met artikel 3.17 van het Arbobesluit.
De rechtbank oordeelde dat het valgevaar niet volledig te voorkomen was, maar dat de werkgever voldoende maatregelen had genomen om het risico te beperken, waaronder instructies, toezicht en opleiding van werknemers. De rechtbank vernietigde het boetebesluit en verklaarde het beroep van de werkgever gegrond.
De minister stelde hoger beroep in, stellende dat de werkgever onvoldoende specifieke instructies en toezicht had geboden. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde echter dat de rechtbank terecht had geoordeeld dat de werkgever voldoende inspanningen had verricht en dat het valgevaar bekend was bij de beroepschauffeurs. Het hoger beroep van de minister werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
De minister werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten aan de wederpartij. Het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep van de wederpartij werd niet inhoudelijk behandeld omdat het hoger beroep van de minister ongegrond was verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep van de minister wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.