ECLI:NL:RVS:2018:697
Raad van State
- Hoger beroep
- G.T.J.M. Jurgens
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit bestuursdwang wegslepen voertuig wegens onvoldoende motivering bevoegdheid
In deze bestuursrechtelijke zaak stond het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam centraal om bestuursdwang toe te passen door een voertuig weg te slepen dat hinderlijk geparkeerd stond voor een in- en uitrit. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat het college aanvankelijk onvoldoende had gemotiveerd waarom het bevoegd was tot bestuursdwang, waardoor het besluit vernietigd werd.
Het college stelde dat het voertuig de in- en uitrit blokkeerde, wat in strijd was met artikel 24 van Pro het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 en artikel 5 van Pro de Wegenverkeerswet 1994. De Afdeling bevestigde dat de in- en uitrit een vluchtroute en ontsluitingsweg is, en dat het voertuig ongeveer de helft van de doorgang blokkeerde, waardoor verwijdering noodzakelijk was voor het belang van de vrijheid van het verkeer.
Appellanten voerden aan dat de aanduiding van het parkeerverbod onvoldoende zichtbaar was en dat het college niet had mogen afgaan op de verklaring van de wijkbeheerder. Deze bezwaren werden verworpen. Ook het betoog dat de kosten van het wegslepen niet voor rekening van appellanten mochten komen, faalde omdat het wegslepen niet onrechtmatig was.
De Afdeling verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde het besluit van het college, maar bepaalde dat de rechtsgevolgen van het besluit in stand blijven. Tevens werd het college veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en het griffierecht aan appellanten.
Uitkomst: Het besluit tot bestuursdwang voor het wegslepen van het voertuig wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering, maar de rechtsgevolgen blijven in stand.