ECLI:NL:RVS:2018:713
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- Rechtspraak.nl
Bevestiging besluit kinderopvangtoeslag en terugvordering ondanks betwisting kosten en verblijfsrecht
Appellante maakte in 2014 gebruik van kinderopvang en ontving daarvoor voorschotten kinderopvangtoeslag. De Belastingdienst stelde de toeslag definitief vast op €6.470 en vorderde €3.464 aan teveel betaalde voorschotten terug. Appellante betwistte dit en voerde onder meer aan dat zij de kosten had voldaan en dat haar verblijfsrecht niet rechtsgeldig was beëindigd.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en oordeelde dat de Belastingdienst terecht de toeslag per 1 september 2014 had beëindigd en dat appellante onvoldoende had aangetoond de kosten te hebben voldaan. In hoger beroep bevestigde de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State deze uitspraak.
De Afdeling verwierp het betoog van appellante dat beroep en hoger beroep automatisch schorsende werking moeten hebben op grond van Unierecht en het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, en oordeelde dat de Verblijfsrichtlijn niet op haar van toepassing is. Ook concludeerde de Afdeling dat de overgelegde facturen, bankafschriften en verklaring onvoldoende bewijs vormen dat alle kosten zijn voldaan. Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.