ECLI:NL:RVS:2018:792
Raad van State
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Afwijzing VOG-aanvraag voor ZZP’er in de zorg na veroordeling voor fraude en deelname aan misdadige organisatie
De zaak betreft de afwijzing van een aanvraag voor een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) door een zzp’er werkzaam in de thuiszorg, die zich wilde registreren voor een keurmerk ‘ZZP’er Zorg’. De minister voor Rechtsbescherming wees de aanvraag af op grond van een veroordeling uit 2014 tot 30 maanden gevangenisstraf wegens medeplegen van oplichting, valsheid in geschrifte, gewoontewitwassen en deelname aan een misdadige organisatie.
De rechtbank Amsterdam bevestigde deze afwijzing, waarbij zij oordeelde dat de strafbare feiten, indien herhaald, een belemmering vormen voor de functie in de zorg (objectief criterium). Ook vond de rechtbank dat het risico voor de samenleving zwaarder weegt dan het belang van de aanvrager bij afgifte van de VOG (subjectief criterium), mede gelet op de ernst van de feiten en de strafmaat.
In hoger beroep stelde de aanvrager dat het tijdsverloop sinds het plegen van de feiten en sinds de veroordeling in haar voordeel moest worden meegewogen, evenals het feit dat zij sindsdien niet meer met justitie in aanraking is geweest en dat de veroordeling nog niet onherroepelijk is. Ook benadrukte zij haar persoonlijke omstandigheden en het belang van de VOG voor haar inkomen.
De voorzieningenrechter van de Raad van State oordeelde dat het objectieve criterium onbetwist is en dat de minister terecht heeft geoordeeld dat het risico voor de samenleving zwaarder weegt dan het belang van de aanvrager. Het tijdsverloop werd als te kort beoordeeld om het risico voldoende te laten afnemen. De persoonlijke omstandigheden en het belang van de aanvrager werden onvoldoende aannemelijk gemaakt om het besluit te wijzigen. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de afwijzing van de VOG-aanvraag wegens het risico voor de samenleving dat zwaarder weegt dan het belang van de aanvrager.