ECLI:NL:RVS:2019:1040
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- C.M. Wissels
- A.J.C. de Moor-van Vugt
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering Nederlands paspoort wegens openstaande schuld en verblijf in het buitenland
Appellante, woonachtig in het Verenigd Koninkrijk, verzocht om een Nederlands paspoort, maar de minister weigerde dit vanwege een openstaande schuld van ruim €27.000 en het feit dat haar persoonsgegevens in het Register Paspoortsignaleringen stonden. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, waarna zij hoger beroep instelde.
De Afdeling bestuursrechtspraak overwoog dat het gegronde vermoeden dat appellante zich door haar verblijf in het buitenland aan invordering van de schuld onttrekt, terecht door de minister werd aangenomen. Appellante had geen zekerheid gegeven over volledige aflossing en had geen adres doorgegeven bij emigratie. Ook het betoog dat zij onevenredig werd benadeeld faalde, omdat zij geen juridische stappen had ondernomen om haar betalingsverplichtingen te wijzigen.
Verder oordeelde de Afdeling dat de weigering van het paspoort geen onrechtmatige inmenging vormt in haar grondrechten zoals het recht op het verlaten van het land en het recht op eerbiediging van privé- en gezinsleven. Appellante kan met haar Nederlandse identiteitskaart binnen de EU reizen en verblijven. Ook het beroep op het Unierecht en het Brexit-scenario leidde niet tot een ander oordeel. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Afdeling bestuursrechtspraak bevestigt de weigering van het paspoort en verklaart het hoger beroep ongegrond.