ECLI:NL:RVS:2019:1114
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging last onder dwangsom voor beëindiging onzelfstandige bewoning woningen te Rijssen
Het college van burgemeester en wethouders van Rijssen-Holten legde aan appellant een last onder dwangsom op om het gebruik van twee woningen voor onzelfstandige bewoning te beëindigen, omdat dit in strijd was met het bestemmingsplan "Wonen Rijssen". De dwangsom bedroeg € 20.000 en moest uiterlijk 1 september 2017 worden nageleefd. Na constatering dat de woningen nog steeds werden gebruikt voor huisvesting van arbeidsmigranten, besloot het college de dwangsom te innen.
Appellant stelde in bezwaar en beroep dat de begunstigingstermijn onjuist was vermeld, dat hij onredelijk was behandeld door derden, dat er geen overlast was en dat hij had geprobeerd een oplossing te vinden. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarna appellant hoger beroep instelde bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling overwoog dat het belang van invordering van verbeurde dwangsommen zwaarwegend is en dat slechts in bijzondere omstandigheden van invordering kan worden afgezien. De vermeende onjuiste begunstigingstermijn was een kennelijke verschrijving zonder gevolgen, en de overige aangevoerde omstandigheden vormden geen bijzondere omstandigheden. Appellant had bovendien niet voldaan aan de last binnen de gestelde termijn.
De Afdeling verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Afdeling bestuursrechtspraak bevestigt de uitspraak en verklaart het hoger beroep ongegrond.