ECLI:NL:RVS:2019:1133
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing urgentieverklaring wegens ontbreken schrijnend huisvestingsprobleem
Appellante, woonachtig in een studentenwoning die niet geschikt is voor haar gezin, verzocht het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam om een urgentieverklaring. Dit verzoek werd op 4 augustus 2017 afgewezen vanwege het ontbreken van een urgent huisvestingsprobleem en onopgeloste schulden. Het bezwaar tegen deze afwijzing werd eveneens ongegrond verklaard.
De rechtbank Amsterdam oordeelde op 29 mei 2018 dat het college terecht had geweigerd de urgentieverklaring toe te kennen. De rechtbank vond de omstandigheden van appellante niet schrijnend of bijzonder genoeg om af te wijken van de hardheidsclausule in de Huisvestingsverordening Amsterdam 2016.
In hoger beroep bij de Raad van State betoogde appellante dat de rechtbank onvoldoende had gemotiveerd waarom de hardheidsclausule niet werd toegepast. De Afdeling bestuursrechtspraak stelde echter vast dat de rechtbank de aangevoerde omstandigheden wel degelijk had meegewogen en haar oordeel voldoende had gemotiveerd.
Het hoger beroep werd als een niet nader gemotiveerde herhaling van eerdere bezwaren beoordeeld en daarom ongegrond verklaard. De uitspraak van de rechtbank werd bevestigd en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de urgentieverklaring bevestigd.