ECLI:NL:RVS:2021:616
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing urgentieverklaring wegens voorliggende voorziening en woonduurcriteria
Appellant vroeg op 8 januari 2018 een urgentieverklaring aan wegens dakloosheid, schulden en medische problemen. Het college van burgemeester en wethouders wees de aanvraag af omdat appellant sinds 30 augustus 2018 een beschikking WMO heeft, die recht geeft op maatschappelijke opvang en ondersteuning, en omdat hij niet onafgebroken twee jaar in Amsterdam woonde voorafgaand aan de aanvraag.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat het college terecht de afwijzingsgronden uit de Huisvestingsverordening 2016 toepaste. Appellant stelde in hoger beroep dat maatschappelijke opvang niet geschikt is vanwege gedeelde kamers en medische omstandigheden, en dat het college hem medisch had moeten laten onderzoeken.
De Afdeling oordeelt dat maatschappelijke opvang juist is bedoeld voor mensen die niet zelfstandig kunnen wonen en dat de medische verklaringen niet aantonen dat opvang ongeschikt is. Het college had beoordelingsruimte bij toepassing van de hardheidsclausule en was niet verplicht tot aanvullend medisch onderzoek. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Afdeling bevestigt de afwijzing van de urgentieverklaring wegens recht op maatschappelijke opvang en onvoldoende woonduur in Amsterdam.