ECLI:NL:RVS:2019:1141
Raad van State
- Hoger beroep
- J.J. van Eck
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering inzage contactgegevens Raad voor de Kinderbescherming
Appellant verzocht om inzage in contactmomenten tussen de Raad voor de Kinderbescherming en zijn ex-vrouw, haar advocaat en een journaliste, met betrekking tot persoonsgegevens van appellant en zijn zoon.
De minister verstrekte een overzicht van contactmomenten en weigerde verdere inzage op grond van privacybescherming volgens de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp). De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State bevestigde dit in hoger beroep.
De Afdeling oordeelde dat appellant nog wel belang had bij de uitspraak, maar dat het verzoek niet zag op persoonsgegevens van de zoon en dat alle relevante stukken inmiddels waren verstrekt. Verder was er geen aanleiding om stukken uit civiele procedures of interne rapporten van de Raad te betrekken.
De motivering van het besluit hoefde niet inhoudelijk te worden getoetst omdat de weigering feitelijk van tafel was door de verstrekte stukken. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep van appellant is ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.