ECLI:NL:RVS:2019:1154

Raad van State

Datum uitspraak
10 april 2019
Publicatiedatum
10 april 2019
Zaaknummer
201804876/1/V3
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 66a Vw 2000Art. 8:54 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging vernietiging inreisverbod wegens limitatieve opsomming in vreemdelingenbeleid

De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid vaardigde op 14 augustus 2017 een inreisverbod uit tegen een vreemdeling na opheffing van diens ongewenstverklaring. De vreemdeling stelde beroep in bij de rechtbank Den Haag, die het besluit vernietigde omdat het inreisverbod niet binnen de limitatief opgesomde gevallen in paragraaf A4/2.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 viel.

De staatssecretaris stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak. De kern van het geschil betrof de uitleg van paragraaf A4/2.1 van de vreemdelingencirculaire, waarin wordt bepaald in welke gevallen een inreisverbod kan worden uitgevaardigd ondanks het geven van een vertrektermijn. De staatssecretaris stelde dat deze opsomming niet limitatief was.

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat de opsomming in paragraaf A4/2.1 wel degelijk limitatief is en dat het beleid een uitzondering vormt op de hoofdregel dat geen inreisverbod wordt uitgevaardigd bij het geven van een vertrektermijn. De rechtbank had daarom terecht het besluit vernietigd. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de staatssecretaris werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten.

Uitkomst: De Raad van State bevestigt dat het inreisverbod onrechtmatig was en vernietigt het besluit niet, waarbij de staatssecretaris wordt veroordeeld tot proceskostenvergoeding.

Uitspraak

201804876/1/V3.
Datum uitspraak: 10 april 2019
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 17 mei 2018 in zaak nr. 17/14283 in het geding tussen:
[de vreemdeling]
en
de staatssecretaris.
Procesverloop
Bij besluit van 14 augustus 2017 heeft de staatssecretaris een verzoek van de vreemdeling om opheffing van zijn ongewenstverklaring ingewilligd en een inreisverbod tegen hem uitgevaardigd.
Bij uitspraak van 17 mei 2018 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard en dat besluit vernietigd.
Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.
De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. I.M. Hagg, advocaat te Amsterdam, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1.    De staatssecretaris heeft een inreisverbod tegen de vreemdeling uitgevaardigd krachtens artikel 66a, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000). Deze uitspraak gaat over de vraag of de staatssecretaris in paragraaf A4/2.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: paragraaf A4/2.1) limitatief heeft opgesomd in welke gevallen hij van deze bevoegdheid gebruik maakt.
2.    De staatssecretaris klaagt in zijn grief dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij ten onrechte een inreisverbod heeft uitgevaardigd krachtens artikel 66a, tweede lid, van de Vw 2000. Paragraaf A4/2.1 bevat volgens de staatssecretaris geen limitatieve opsomming van gevallen waarin hij die bepaling kan toepassen. Dat hij de vreemdeling een vertrektermijn heeft gegund bij de opheffing van de eerder opgelegde ongewenstverklaring, betekent in dit geval niet dat hem niet de bevoegdheid toekomt om een inreisverbod uit te vaardigen, aldus de staatssecretaris.
2.1.    Volgens paragraaf A4/2.1 is het beleid over ongewenstverklaring van een vreemdeling van overeenkomstige toepassing op de bevoegdheid neergelegd in artikel 66a, tweede lid, van de Vw 2000 om een inreisverbod uit te vaardigen aan een vreemdeling die Nederland niet onmiddellijk moet verlaten. Daarnaast vaardigt de IND of de ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen een inreisverbod uit tegen een vreemdeling die valt onder een van de vier in het beleid opgesomde situaties.
2.2.     Uit de toelichting op paragraaf A4/2.1 in het besluit van 28 maart 2017, nr. WBV 2017/3, houdende wijziging van de Vc 2000 (Stcrt. 2017, 17943), volgt dat de staatssecretaris een inreisverbod krachtens artikel 66a, tweede lid, van de Vw 2000 kan uitvaardigen in de in die paragraaf beschreven situaties. Volgens die toelichting laat dat echter onverlet dat de hoofdregel is dat de staatssecretaris geen inreisverbod uitvaardigt als hij een vreemdeling een vertrektermijn geeft. De in paragraaf A4/2.1 beschreven situaties vormen dus een uitzondering op deze hoofdregel. Ook uit de bewoordingen in de toelichting, in het bijzonder het gebruik van de term 'mogelijk maken', volgt dat alleen de in paragraaf A4/2.1 genoemde categorieën van voormelde hoofdregel zijn uitgezonderd. Hieruit volgt dat de rechtbank terecht heeft overwogen dat paragraaf A4/2.1 een limitatieve opsomming is van de gevallen waarin de staatssecretaris ondanks het geven van een vertrektermijn toch een inreisverbod uitvaardigt. Zij heeft ook terecht overwogen dat uit de uitspraak van de Afdeling van 27 juni 2014, ECLI:NL:RVS:2014:2459, anders dan de staatssecretaris betoogt, niet volgt dat hij zijn bevoegdheid kan gebruiken in niet tot het beleid te herleiden situaties.
2.3.    De rechtbank heeft dus terecht geoordeeld dat de staatssecretaris ten onrechte een inreisverbod heeft uitgevaardigd krachtens artikel 66a, tweede lid, van de Vw 2000.
De grief faalt.
3.    Het hoger beroep is kennelijk ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De staatssecretaris moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.    bevestigt de aangevallen uitspraak;
II.    veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 512,00 (zegge: vijfhonderdtwaalf euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzitter, en mr. H.G. Lubberdink en mr. A. Kuijer, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.M. Ahmady-Pikart, griffier.
w.g. Verheij    w.g. Ahmady-Pikart
voorzitter    griffier
Uitgesproken in het openbaar op 10 april 2019
638-846.