ECLI:NL:RVS:2019:1155
Raad van State
- Hoger beroep
- D.J.C. van den Broek
- Rechtspraak.nl
Bevestiging handhavingsbesluit verwijderen tweede bedrijfswoning zonder vergunning
Het college van burgemeester en wethouders van Asten legde aan appellant een last onder dwangsom op om een nieuw gebouwde tweede bedrijfswoning op zijn perceel te verwijderen, omdat deze zonder geldige omgevingsvergunning aanwezig was. De bouwvergunning voor deze woning was ingetrokken vanwege onjuiste opgave over de sloop van de oude woning.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant deels gegrond door de begunstigingstermijn te verlengen tot 1 juni 2019, maar handhaafde het besluit verder. Appellant stelde in hoger beroep dat de intrekking van de bouwvergunning onrechtmatig was en dat er concreet zicht op legalisering bestond, onder andere door een beroep tegen het bestemmingsplan en een aanvraag om omgevingsvergunning. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de rechtmatigheid van de intrekking niet in deze procedure aan de orde is en dat ten tijde van het handhavingsbesluit geen concreet zicht op legalisering bestond.
Verder voerde appellant aan dat handhaving onevenredig was en het vertrouwensbeginsel was geschonden. De Afdeling stelde dat geen concrete toezeggingen waren gedaan die het vertrouwen rechtvaardigen dat niet gehandhaafd zou worden en dat het financiële nadeel het gevolg is van het risico van het bouwen zonder vergunning. Ook de begunstigingstermijn werd als voldoende beoordeeld.
De Afdeling verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde de uitspraak van de rechtbank, waarmee het handhavingsbesluit en de dwangsom onverkort in stand bleven.
Uitkomst: Het hoger beroep is ongegrond verklaard en het handhavingsbesluit tot verwijdering van de tweede bedrijfswoning is bevestigd.