ECLI:NL:RVS:2019:1217
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- Rechtspraak.nl
Bevestiging handhavingsbesluit verwijdering bouwwerken op woonwagenpark
Appellanten wonen op een woonwagenpark en werden door het college van burgemeester en wethouders van West Maas en Waal verplicht een volière en een speel- en dierverblijfgebouwtje te verwijderen van gemeentegrond met bestemming 'Verkeer'. Het college legde een dwangsom op vanwege het ontbreken van een omgevingsvergunning en strijd met het bestemmingsplan.
Appellanten betwistten dat de bouwwerken ten tijde van het handhavingsbesluit aanwezig waren en voerden aan dat het college zich baseerde op verouderde luchtfoto's en controles. De Raad van State oordeelde dat het tijdsverloop van drie maanden tussen controle en besluit niet te groot is en dat nacontroles bevestigden dat de bouwwerken ongewijzigd aanwezig waren. De stellingen van appellanten waren onvoldoende concreet om twijfel te rechtvaardigen.
Verder stelde appellanten dat handhaving onevenredig was en dat het vertrouwensbeginsel was geschonden vanwege eerdere toezeggingen en langdurige aanwezigheid van de bouwwerken. De Raad van State verwijst naar een eerdere uitspraak waarin deze argumenten reeds zijn behandeld en concludeert dat geen nieuwe omstandigheden zijn aangevoerd die tot een ander oordeel leiden.
Ten slotte betoogden appellanten dat de begunstigingstermijn te kort was en dat de gemeentelijke ombudsman eerst had moeten worden geraadpleegd. De Raad van State oordeelt dat de termijn van zes weken, verlengd tot een week na afwijzing van een verzoek om voorlopige voorziening, redelijk was gezien de langdurige overtreding en eerdere handhavingsbesluiten. De klacht bij de ombudsman heeft geen opschortende werking.
Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep is ongegrond verklaard en het handhavingsbesluit bevestigd.