Uitspraak
Datum uitspraak: 17 april 2019
AFDELINGBESTUURSRECHTSPRAAK
voorzitter griffier
Raad van State
De staatssecretaris legde aan [appellante sub 1], een op de Filipijnen gevestigd bedrijf met een Nederlandse nevenvestiging, een boete op wegens onderbetaling van negen Filipijnse bemanningsleden die werkzaam waren op zeven havensleepboten met Nederlandse thuishaven. De rechtbank stelde dat de Wmm alleen van toepassing is indien werknemers binnen de Nederlandse rechtssfeer en welvaartssituatie werkzaam zijn, en wees de boete deels af voor vier werknemers die geen walverlof genoten.
De Afdeling bestuursrechtspraak vernietigt dit oordeel en bevestigt dat het begrip thuishaven feitelijk moet worden vastgesteld aan de hand van meerdere aanknopingspunten, zoals registratie, vlag, eigenaar, bevoorrading en verblijf van de bemanning. De zeven havensleepboten hebben hun thuishaven in Nederland, waardoor de Wmm van toepassing is op alle betrokken werknemers, ook die op de schepen [schip C] en [schip D].
Verder oordeelt de Afdeling dat [appellante sub 1] als werkgever moet worden aangemerkt, omdat zij de arbeidsovereenkomsten sluit, loon betaalt en gezagsverhouding uitoefent. De rechtbank heeft ten onrechte een aanvullende toets aan de welvaartssituatie toegepast, die niet verenigbaar is met de Wmm en rechtszekerheid. De boete en dwangsom worden door de Afdeling vastgesteld op €43.100 en €3.275 per dag per werknemer, respectievelijk, met een maximum van €40.000 per werknemer.
Uitkomst: De boete van €43.100 en de dwangsom van €3.275 per dag worden vastgesteld en de Wmm is van toepassing op de Filipijnse bemanningsleden op de Nederlandse havensleepboten.