ECLI:NL:RVS:2019:1256
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing herzieningsverzoek kinderopvangtoeslag 2012-2014
De zaak betreft het hoger beroep van appellante tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam die haar beroep tegen de afwijzing van haar verzoek tot herziening van de kinderopvangtoeslag over de jaren 2012, 2013 en 2014 ongegrond verklaarde.
Appellante maakte gebruik van gastouderopvang en ontving daarvoor voorschotten kinderopvangtoeslag. De Belastingdienst/Toeslagen stelde de toeslagen over 2012 en 2013 definitief op nihil vast en herzag het voorschot over 2014 naar nihil. Appellante verzocht om herziening, maar dit verzoek werd afgewezen omdat zij geen nieuwe feiten of omstandigheden aanvoerde die een te lage vaststelling aantonen.
De Afdeling overwoog dat herziening op grond van artikel 21a Awir alleen mogelijk is indien blijkt dat de toeslag te laag is vastgesteld en dat appellante dit niet aannemelijk maakte. Betalingen aan de gastouder werden niet met bewijs ondersteund en waren in strijd met de kassiersfunctie. Voor 2014 was de toeslag nog niet definitief vastgesteld, waardoor herziening niet aan de orde was.
Het hoger beroep faalt en de uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van het herzieningsverzoek bevestigd.