ECLI:NL:RVS:2018:2212
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing herzieningsverzoek kinderopvangtoeslag 2009 wegens niet-definitieve vaststelling
De zaak betreft het hoger beroep van appellant tegen de afwijzing van zijn verzoek tot herziening van het recht op kinderopvangtoeslag over 2009. De Belastingdienst/Toeslagen had het verzoek afgewezen omdat de toeslag nog niet definitief was vastgesteld, een vereiste voor toepassing van artikel 21a van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir).
De rechtbank had het beroep van appellant ongegrond verklaard en de Afdeling bestuursrechtspraak bevestigt dit oordeel. De Afdeling overweegt dat de beslistermijnen in artikel 19 Awir Pro niet zodanig fataal zijn dat de Belastingdienst na het verstrijken daarvan niet meer bevoegd is tot herziening, maar dat de bevoegdheid wel vervalt vijf jaar na het berekeningsjaar. In deze zaak was de definitieve vaststelling van de toeslag pas na die termijn, maar dit was niet ten nadele van appellant omdat het laatste voorschot al op nihil was vastgesteld.
Verder oordeelt de Afdeling dat het horen in bezwaar terecht kon worden achterwege gelaten omdat het bezwaarschrift geen aanleiding gaf tot een ander besluit. De inhoudelijke beoordeling van de door appellant aangevoerde feiten over de opvangovereenkomst en kosten komt niet aan de orde omdat het verzoek om herziening terecht is afgewezen. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.