ECLI:NL:RVS:2019:1283
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging uitspraak rechtbank inzake afwijzing machtiging voorlopig verblijf vreemdelingen
Bij besluiten van juli en december 2014 wees de staatssecretaris aanvragen van twee vreemdelingen om een machtiging tot voorlopig verblijf af respectievelijk stelde deze buiten behandeling. De vreemdelingen maakten bezwaar tegen deze besluiten. De staatssecretaris verklaarde het bezwaar deels gegrond en deels ongegrond. De rechtbank Den Haag verklaarde het beroep van de vreemdelingen tegen de besluiten gegrond, vernietigde het besluit en bepaalde dat een nieuw besluit genomen moest worden.
De staatssecretaris stelde hiertegen hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Tijdens de procedure werden prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie, waarop het hof in november 2018 antwoord gaf. Na ontvangst van reacties van partijen werd het onderzoek gesloten.
De Afdeling oordeelt dat het hoger beroep van de staatssecretaris kennelijk ongegrond is omdat het geen nieuwe vragen bevat die van belang zijn voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling. De uitspraak van de rechtbank wordt daarmee bevestigd. Tevens wordt de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van proceskosten aan de vreemdelingen en wordt een griffierecht geheven.
Uitkomst: Het hoger beroep van de staatssecretaris wordt kennelijk ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.