ECLI:NL:RVS:2019:1283

Raad van State

Datum uitspraak
19 april 2019
Publicatiedatum
19 april 2019
Zaaknummer
201603827/1/V1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArtikel 91 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging uitspraak rechtbank inzake afwijzing machtiging voorlopig verblijf vreemdelingen

Bij besluiten van juli en december 2014 wees de staatssecretaris aanvragen van twee vreemdelingen om een machtiging tot voorlopig verblijf af respectievelijk stelde deze buiten behandeling. De vreemdelingen maakten bezwaar tegen deze besluiten. De staatssecretaris verklaarde het bezwaar deels gegrond en deels ongegrond. De rechtbank Den Haag verklaarde het beroep van de vreemdelingen tegen de besluiten gegrond, vernietigde het besluit en bepaalde dat een nieuw besluit genomen moest worden.

De staatssecretaris stelde hiertegen hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Tijdens de procedure werden prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie, waarop het hof in november 2018 antwoord gaf. Na ontvangst van reacties van partijen werd het onderzoek gesloten.

De Afdeling oordeelt dat het hoger beroep van de staatssecretaris kennelijk ongegrond is omdat het geen nieuwe vragen bevat die van belang zijn voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling. De uitspraak van de rechtbank wordt daarmee bevestigd. Tevens wordt de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van proceskosten aan de vreemdelingen en wordt een griffierecht geheven.

Uitkomst: Het hoger beroep van de staatssecretaris wordt kennelijk ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitspraak

201603827/1/V1.
Datum uitspraak: 19 april 2019
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 21 januari 2016 in zaak nr. 15/14663 in het geding tussen:
[de vreemdeling 1] en [de vreemdeling 2]; tezamen: de vreemdelingen)
en
de staatssecretaris.
Procesverloop
Bij besluit van 21 juli 2014 heeft de staatssecretaris een aanvraag om vreemdeling 1 een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen, afgewezen.
Bij besluit van 16 december 2014 heeft de staatssecretaris een aanvraag om vreemdeling 2 een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen, buiten behandeling gesteld.
Bij besluit van 7 juli 2015 heeft de staatssecretaris het door de vreemdelingen tegen deze besluiten gemaakte bezwaar, voor zover gericht tegen de buitenbehandelingstelling, gegrond en voor het overige ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 21 januari 2016 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdelingen ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen.
Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.
De vreemdelingen, vertegenwoordigd door mr. C.J. Ullersma, advocaat te Amsterdam, hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Naar aanleiding van de bij uitspraak van 21 juni 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1609, door de Afdeling gestelde prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie heeft de Afdeling partijen bericht dat de behandeling van deze zaak wordt aangehouden in afwachting van het antwoord van het Hof.
Bij arrest van 7 november 2018, ECLI:EU:C:2018:877 heeft het Hof deze vragen beantwoord.
De vreemdelingen en de staatssecretaris hebben desgevraagd een reactie ingediend.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1.    Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000).
2.    Het hoger beroep is kennelijk ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De staatssecretaris moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.    bevestigt de aangevallen uitspraak;
II.    veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdelingen in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 768,00 (zegge: zevenhonderdachtenzestig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
III.    bepaalt dat van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een griffierecht van € 503,00 (zegge: vijfhonderdendrie euro) wordt geheven.
Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J. Verbeek, griffier.
w.g. Borman    w.g. Verbeek
lid van de enkelvoudige kamer    griffier
Uitgesproken in het openbaar op 19 april 2019
574.