ECLI:NL:RVS:2017:1609
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- G. van der Wiel
- C.M. Wissels
- Rechtspraak.nl
Prejudiciële vragen over toepassing en uitleg van de Gezinsherenigingsrichtlijn bij subsidiair beschermden
In deze zaken zijn aanvragen om een machtiging tot voorlopig verblijf voor gezinshereniging afgewezen wegens overschrijding van de wettelijk gestelde driemaandentermijn. De verzoeken betreffen gezinsleden van personen met een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd met subsidiaire bescherming. De Afdeling bestuursrechtspraak stelt vragen over de uitleg van artikel 12, eerste lid, derde alinea, van de Gezinsherenigingsrichtlijn en of deze richtlijn zich verzet tegen de Nederlandse regeling die een afwijzing op grond van termijnoverschrijding zonder inhoudelijke beoordeling toestaat.
De Afdeling bespreekt twee zaken: in de eerste zaak is de termijn met ruim negen maanden overschreden door nalatigheid van de voogdinstichting Nidos en het gebrek aan eigen initiatief van de gezinshereniger. In de tweede zaak is de termijn met een maand overschreden door miscommunicatie met een belangenorganisatie. In beide gevallen acht de staatssecretaris de termijnoverschrijding niet verschoonbaar.
De Afdeling constateert dat Nederland hoofdstuk V van de Gezinsherenigingsrichtlijn rechtstreeks en onvoorwaardelijk toepast op subsidiair beschermden, hoewel deze volgens artikel 3, tweede lid, aanhef en onder c, van de richtlijn hiervan zijn uitgesloten. Dit roept de vraag op of het Hof van Justitie bevoegd is prejudiciële vragen over deze uitleg te beantwoorden. Daarnaast vraagt de Afdeling zich af of de Nederlandse regeling die inhoudelijke beoordeling bij termijnoverschrijding uitsluit verenigbaar is met het Unierecht.
De behandeling van het hoger beroep wordt geschorst totdat het Hof van Justitie uitspraak heeft gedaan op de gestelde prejudiciële vragen, die betrekking hebben op de bevoegdheid van het Hof en de uitleg van artikel 12 van Pro de Gezinsherenigingsrichtlijn.
Uitkomst: De behandeling van het hoger beroep wordt geschorst en de Afdeling verzoekt het Hof van Justitie om prejudiciële uitspraak over de uitleg en toepassing van de Gezinsherenigingsrichtlijn.