ECLI:NL:RVS:2019:1289
Raad van State
- Hoger beroep
- E. Steendijk
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing machtiging tot voorlopig verblijf vreemdelingen
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid heeft op 5 oktober 2017 de aanvragen van de vreemdelingen om een machtiging tot voorlopig verblijf afgewezen. Na een bezwaarprocedure verklaarde de staatssecretaris het bezwaar ongegrond. De vreemdelingen stelden beroep in bij de rechtbank, die het besluit van de staatssecretaris vernietigde en de staatssecretaris opdroeg een nieuw besluit te nemen.
De staatssecretaris stelde hiertegen hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De Afdeling oordeelde dat het hoger beroep niet leidt tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en bevestigde het vonnis. Het hoger beroep werd kennelijk ongegrond verklaard omdat het geen nieuwe vragen bevatte die van belang zijn voor rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming.
De staatssecretaris werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdelingen en moest tevens griffierecht betalen. De uitspraak werd in het openbaar uitgesproken op 19 april 2019 door de enkelvoudige kamer van de Afdeling bestuursrechtspraak.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt het vonnis van de rechtbank en verklaart het hoger beroep van de staatssecretaris kennelijk ongegrond.