ECLI:NL:RVS:2019:1174
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- H.G. Lubberdink
- E. Steendijk
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit afwijzing machtiging voorlopig verblijf wegens onjuiste uitleg verblijfsvergunning asiel
De vreemdeling, met Eritrese nationaliteit, verzocht om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) om bij haar vader, de referent, te verblijven. De staatssecretaris wees de aanvraag af omdat de referent een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd heeft, terwijl volgens de staatssecretaris artikel 29, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) vereist dat de referent een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd bezit.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelt dat de rechtbank ten onrechte niet is ingegaan op de beroepsgronden van de vreemdeling. De Afdeling stelt dat artikel 29, tweede en vierde lid, Vw 2000 het moment van verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als peilmoment voor de driemaandentermijn hanteert, maar niet vereist dat de referent op dat moment een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd moet hebben.
De Afdeling benadrukt dat het niet de bedoeling van de wetgever is om gezinsleden van een referent met een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd uit te sluiten van het recht op nareis. De Afdeling vernietigt daarom het besluit en verklaart het hoger beroep gegrond. Tevens veroordeelt zij de staatssecretaris tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Het besluit tot afwijzing van de machtiging tot voorlopig verblijf wordt vernietigd en het hoger beroep gegrond verklaard.