ECLI:NL:RVS:2019:1297
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Voorlopige voorziening tegen uitzetting vreemdeling in hoger beroep
De vreemdeling verzocht de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State om een voorlopige voorziening te treffen die voorkomt dat hij wordt uitgezet voordat op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag wordt beslist.
De staatssecretaris had eerder geweigerd om ambtshalve uitstel van vertrek te verlenen op grond van artikel 64 van Pro de Vreemdelingenwet 2000, en het bezwaar van de vreemdeling was ongegrond verklaard. De rechtbank had het beroep van de vreemdeling eveneens ongegrond verklaard.
De voorzieningenrechter oordeelde dat het verzoek om een voorlopige voorziening toewijsbaar was in het licht van eerdere jurisprudentie en bepaalde dat de vreemdeling niet mocht worden uitgezet totdat het hoger beroep was afgerond. Tevens werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van €512,00 die door de vreemdeling waren gemaakt voor rechtsbijstand.
Uitkomst: De vreemdeling mag niet worden uitgezet totdat het hoger beroep is beslist en de staatssecretaris moet de proceskosten vergoeden.