ECLI:NL:RVS:2019:1297

Raad van State

Datum uitspraak
23 april 2019
Publicatiedatum
23 april 2019
Zaaknummer
201902030/2/V1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 64 Vreemdelingenwet 2000Art. 8:81 Algemene wet bestuursrechtArt. 8:83 lid 3 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening tegen uitzetting vreemdeling in hoger beroep

De vreemdeling verzocht de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State om een voorlopige voorziening te treffen die voorkomt dat hij wordt uitgezet voordat op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag wordt beslist.

De staatssecretaris had eerder geweigerd om ambtshalve uitstel van vertrek te verlenen op grond van artikel 64 van Pro de Vreemdelingenwet 2000, en het bezwaar van de vreemdeling was ongegrond verklaard. De rechtbank had het beroep van de vreemdeling eveneens ongegrond verklaard.

De voorzieningenrechter oordeelde dat het verzoek om een voorlopige voorziening toewijsbaar was in het licht van eerdere jurisprudentie en bepaalde dat de vreemdeling niet mocht worden uitgezet totdat het hoger beroep was afgerond. Tevens werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van €512,00 die door de vreemdeling waren gemaakt voor rechtsbijstand.

Uitkomst: De vreemdeling mag niet worden uitgezet totdat het hoger beroep is beslist en de staatssecretaris moet de proceskosten vergoeden.

Uitspraak

201902030/2/V1.
Datum uitspraak: 23 april 2019
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
verzoeker,
tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag van 11 februari 2019 in zaak nr. 19/343 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 19 juli 2018 heeft de staatssecretaris geweigerd de vreemdeling ambtshalve uitstel van vertrek krachtens artikel 64 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 te verlenen.
Bij besluit van 28 december 2018 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 11 februari 2019 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. C.T.W. van Dijk, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.
Voorts heeft de vreemdeling de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Overwegingen
1.    De vreemdeling heeft de voorzieningenrechter verzocht bij wijze van voorlopige voorziening te bepalen dat hij niet wordt uitgezet voordat op het hoger beroep is beslist.
2.    Gelet op wat is aangevoerd komt het verzoek, in het licht van de uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling van 20 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:457, op na te melden wijze voor toewijzing in aanmerking.
3.    De staatssecretaris moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.    bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat de vreemdeling niet wordt uitgezet, totdat op het door hem ingestelde hoger beroep is beslist;
II.    veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 512,00 (zegge: vijfhonderdtwaalf euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. L. Groenendijk, griffier.
w.g. Bijloos    w.g. Groenendijk
voorzieningenrechter    griffier
Uitgesproken in het openbaar op 23 april 2019
164.