ECLI:NL:RVS:2019:457
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Vreemdelingenasielprocedure en schorsende werking hoger beroep in het Nederlandse bestuursprocesrecht
Twee Russische vreemdelingen met een gegronde vrees voor vervolging vanwege hun homoseksuele gerichtheid vroegen asiel aan. De staatssecretaris wees hun aanvragen af en de rechtbank verklaarde hun beroepen ongegrond. In hoger beroep stelde de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie over de schorsende werking van hoger beroep in asielprocedures.
Het Hof oordeelde dat de Terugkeerrichtlijn en Procedurerichtlijn, gelezen in het licht van het EU-Handvest, niet vereisen dat hoger beroep in asielzaken automatisch schorsende werking heeft. Het Nederlandse systeem, waarin geen automatische schorsende werking geldt, is daarmee verenigbaar met het Unierecht.
De Raad van State vernietigde de eerdere uitspraak van de rechtbank en de besluiten van de staatssecretaris, omdat deze onvoldoende rekening hielden met het homofobe klimaat in Rusland en de geloofwaardige problemen die de vreemdelingen ondanks terughoudendheid ondervonden. De voorlopige voorziening dat zij niet worden uitgezet blijft gehandhaafd, maar het verzoek tot een nieuwe voorziening werd afgewezen.
De staatssecretaris werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten. De uitspraak benadrukt dat het Nederlandse bestuursprocesrecht in asielzaken geen automatische schorsende werking aan hoger beroep hoeft te verbinden, mits het gelijkwaardigheids- en doeltreffendheidsbeginsel worden geëerbiedigd.
Uitkomst: Het hoger beroep van de vreemdelingen wordt gegrond verklaard, de eerdere besluiten worden vernietigd en de vreemdelingen krijgen alsnog bescherming toegekend.