ECLI:NL:RVS:2019:1299

Raad van State

Datum uitspraak
19 april 2019
Publicatiedatum
23 april 2019
Zaaknummer
201902866/2/V2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 AwbWet Centraal Orgaan opvang asielzoekers
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening tegen uitzetting vreemdelingen in hoger beroep

Bij besluiten van 17 juli 2018 heeft de staatssecretaris de aanvragen van vreemdelingen voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen. De rechtbank verklaarde de beroepen van de vreemdelingen ongegrond op 4 april 2019. De vreemdelingen stelden hiertegen hoger beroep in en verzochten de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening.

De voorzieningenrechter oordeelde dat het verzoek om voorlopige voorziening toewijsbaar is, mede gelet op een eerdere uitspraak van 20 februari 2019. De vreemdelingen mogen niet worden uitgezet zolang het hoger beroep loopt en zij dienen opvang en verstrekkingen te ontvangen conform de Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers.

Daarnaast werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van €512,00, toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. De uitspraak werd op 19 april 2019 in het openbaar gedaan door voorzieningenrechter A.W.M. Bijloos.

Uitkomst: Vreemdelingen mogen niet worden uitgezet totdat het hoger beroep is beslist en de staatssecretaris moet proceskosten vergoeden.

Uitspraak

201902866/2/V2.
Datum uitspraak: 19 april 2019
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van:
[de vreemdeling] en anderen,
verzoekers,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 4 april 2019 in zaken nrs. NL18.13420, NL18.13423, NL18.13427 en NL18.13431 in het geding tussen:
de vreemdelingen
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij onderscheiden besluiten van 17 juli 2018 heeft de staatssecretaris, voor zover thans van belang, aanvragen van de vreemdelingen om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, opnieuw afgewezen.
Bij uitspraak van 4 april 2019 heeft de rechtbank de daartegen door de vreemdelingen ingestelde beroepen ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak hebben de vreemdelingen hoger beroep ingesteld.
Voorts hebben de vreemdelingen de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Overwegingen
1.    De vreemdelingen hebben de voorzieningenrechter verzocht bij wijze van voorlopige voorziening te bepalen dat zij niet worden uitgezet voordat op het hoger beroep is beslist en dat hun gedurende die periode opvang en verstrekkingen voorzien bij of krachtens de Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers worden geboden.
2.    Gelet op wat is aangevoerd komt het verzoek, in het licht van de uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling van 20 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:457, op na te melden wijze voor toewijzing in aanmerking.
3.    De staatssecretaris moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.    bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat de vreemdelingen niet worden uitgezet, totdat op het door hen ingestelde hoger beroep is beslist;
II.    veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdelingen in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 512,00 (zegge: vijfhonderdtwaalf euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. J.W. Prins, griffier.
w.g. Bijloos    w.g. Prins
voorzieningenrechter    griffier
Uitgesproken in het openbaar op 19 april 2019
363.