ECLI:NL:RVS:2019:1426
Raad van State
- Hoger beroep
- E. Steendijk
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak over verplaatsing woonboot en besluit college Groningen
De zaak betreft het hoger beroep van appellant tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland waarin het bezwaar tegen een brief van het college van burgemeester en wethouders van Groningen werd afgewezen als niet-ontvankelijk. De brief van 4 december 2015 bevestigde de verplaatsing van de woonboot van appellant binnen de Woonschepenhaven. Het college stelde dat deze brief geen besluit in de zin van de Awb was, omdat het geen rechtsgevolgen zou hebben.
De rechtbank oordeelde dat de brief geen besluit was omdat de ligplaatsvergunning niet voor een specifieke ligplaats gold en de verplaatsing binnen een kanaalvak plaatsvond. De Afdeling bestuursrechtspraak stelt echter dat de brief wel een besluit is omdat het een publiekrechtelijke rechtshandeling inhoudt die appellant verplicht zijn woonboot te verplaatsen, gebaseerd op artikel 11 van Pro de Verordening openbaar vaarwater 2006.
De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank voor zover de rechtsgevolgen van het besluit van 1 april 2016 in stand zijn gelaten en bepaalt dat het college een nieuw besluit moet nemen op het bezwaar. Tevens wordt het college veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht. De Afdeling benadrukt dat het college bij het nieuwe besluit de gronden van appellant, waaronder het gewekte gerechtvaardigde vertrouwen, moet betrekken.
Uitkomst: De Afdeling bestuursrechtspraak vernietigt de uitspraak van de rechtbank en bepaalt dat het college een nieuw besluit moet nemen op het bezwaar tegen de verplaatsing van de woonboot.