ECLI:NL:RVS:2019:1457

Raad van State

Datum uitspraak
6 mei 2019
Publicatiedatum
6 mei 2019
Zaaknummer
201900810/1/V1
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • E. Steendijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 29 Vreemdelingenwet 2000
Verwijzingen
5 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging afwijzing machtiging voorlopig verblijf vreemdelingen wegens strijd met Vreemdelingenwet

De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees bij afzonderlijke besluiten van 22 mei 2015 aanvragen van vreemdelingen om een machtiging tot voorlopig verblijf af. Na het ongegrond verklaren van het bezwaar op 15 juni 2018, stelde de rechtbank Den Haag het beroep van de vreemdelingen eveneens ongegrond op 28 december 2018.

De vreemdelingen stelden hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. In haar uitspraak van 6 mei 2019 oordeelde de Afdeling dat het besluit van de staatssecretaris in strijd was met artikel 29, tweede en vierde lid, van de Vreemdelingenwet 2000. De Afdeling vernietigde daarom het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep alsnog gegrond.

Daarnaast veroordeelde de Afdeling de staatssecretaris tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdelingen en tot terugbetaling van het betaalde griffierecht. De overige aangevoerde grieven behoefden geen bespreking. Hiermee werd het hoger beroep van de vreemdelingen dus volledig toegewezen.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en het besluit van de staatssecretaris wordt vernietigd.

Uitspraak

201900810/1/V1.
Datum uitspraak: 6 mei 2019
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[de vreemdelingen],
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 28 december 2018 in zaak nr. 18/5248 in het geding tussen:
de vreemdelingen
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij afzonderlijke besluiten van 22 mei 2015 heeft de staatssecretaris aanvragen van de vreemdelingen om hun een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen, afgewezen.
Bij besluit van 15 juni 2018 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdelingen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 28 december 2018 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdelingen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak hebben de vreemdelingen, vertegenwoordigd door mr. K.P.E. van Tulden, advocaat te Roermond, hoger beroep ingesteld.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1.    In de uitspraak van 16 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1174, heeft de Afdeling overwogen dat in artikel 29, tweede en vierde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) niet als vereiste is opgenomen dat een referent een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd heeft.
2.    De Afdeling heeft de in grief 1 opgeworpen rechtsvragen over de afwijzingsgrond van de aanvragen beantwoord in de onder 1. vermelde uitspraak. Uit deze uitspraak volgt dat de grief slaagt.
3.    Het hoger beroep is kennelijk gegrond. Wat de vreemdelingen voor het overige aanvoeren, behoeft geen bespreking. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep alsnog gegrond verklaren. Het besluit van 15 juni 2018 wordt vernietigd wegens strijd met artikel 29, tweede en vierde lid, van de Vw 2000. De staatssecretaris moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.    verklaart het hoger beroep gegrond;
II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 28 december 2018 in zaak nr. 18/5248;
III.    verklaart het in die zaak ingestelde beroep gegrond;
IV.    vernietigt het besluit van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 15 juni 2018, V-nummers […], […] en […];
V.    veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdelingen in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.536,00 (zegge: vijftienhonderdzesendertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
VI.    gelast dat de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid aan de vreemdelingen het door hen betaalde griffierecht ten bedrage van € 429,00 (zegge: vierhonderdnegenentwintig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. E. Steendijk, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.K. de Keizer, griffier.
w.g. Steendijk    w.g. De Keizer
lid van de enkelvoudige kamer    griffier
Uitgesproken in het openbaar op 6 mei 2019
716.