ECLI:NL:RVS:2019:1481
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing verzoek vergoeding griffierecht na Wob-procedure
Appellant verzocht het college om vergoeding van het door hem betaalde griffierecht in verband met een beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn Wob-verzoek. Het college wees dit verzoek af omdat het beroep werd ingesteld voordat de beslistermijn van twaalf weken was verstreken en er geen sprake was van tegemoetkomen zoals bedoeld in artikel 8:41, zevende lid, van de Awb.
Appellant stelde dat de beslistermijn zes weken bedroeg en dat het college hem wel degelijk tegemoet was gekomen door het besluit van 25 augustus 2017, waarin het Wob-verzoek werd ingewilligd. De Afdeling oordeelde echter dat dit besluit betrekking had op het Wob-verzoek zelf en niet op het bezwaar tegen het niet tijdig nemen van een besluit. Tevens was niet gebleken dat appellant het college schriftelijk had medegedeeld dat het in gebreke was ten aanzien van het bezwaar.
De Afdeling bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant die het beroep ongegrond had verklaard. Er was geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.