ECLI:NL:RVS:2019:1508
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- J.Th. Drop
- A.W.M. Bijloos
- Rechtspraak.nl
Vernietiging vrijheidsontnemende maatregel wegens niet tijdige kennisgeving aan rechtbank
Bij besluit van 14 maart 2019 is aan de vreemdeling een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd. De rechtbank Den Haag verklaarde het beroep van de vreemdeling tegen deze maatregel ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. De vreemdeling stelde hiertegen hoger beroep in bij de Raad van State.
De kern van het geschil betrof de vraag of de staatssecretaris tijdig een kennisgeving aan de rechtbank had verzonden over de opgelegde vrijheidsontnemende maatregel. Volgens artikel 94, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 moet deze kennisgeving uiterlijk op de achtentwintigste dag na het besluit worden verzonden, tenzij de vreemdeling zelf al beroep heeft ingesteld.
De Raad van State stelde vast dat de kennisgeving niet was verzonden binnen de gestelde termijn (15 maart tot 11 april 2019) en dat de vreemdeling pas op 12 april 2019 beroep had ingesteld. Hierdoor was de maatregel vanaf 12 april 2019 onrechtmatig. De Raad van State vernietigde daarom het vonnis van de rechtbank, verklaarde het beroep gegrond, en hief de vrijheidsontnemende maatregel op met ingang van de dag van de uitspraak.
Daarnaast kende de Raad van State aan de vreemdeling een schadevergoeding toe over de periode van 12 april tot en met 9 mei 2019 en veroordeelde de staatssecretaris tot vergoeding van de proceskosten. Hiermee werd het recht op een tijdige kennisgeving en de gevolgen van het niet naleven daarvan bevestigd.
Uitkomst: De vrijheidsontnemende maatregel wordt opgeheven en de vreemdeling krijgt een schadevergoeding toegekend wegens niet tijdige kennisgeving.