Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RVS:2019:1508

Raad van State

Datum uitspraak
9 mei 2019
Publicatiedatum
9 mei 2019
Zaaknummer
201903418/1/V3
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 Vreemdelingenwet 2000Art. 94 Vreemdelingenwet 2000Art. 106 Vreemdelingenwet 2000Art. 8:54 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging vrijheidsontnemende maatregel wegens niet tijdige kennisgeving aan rechtbank

Bij besluit van 14 maart 2019 is aan de vreemdeling een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd. De rechtbank Den Haag verklaarde het beroep van de vreemdeling tegen deze maatregel ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. De vreemdeling stelde hiertegen hoger beroep in bij de Raad van State.

De kern van het geschil betrof de vraag of de staatssecretaris tijdig een kennisgeving aan de rechtbank had verzonden over de opgelegde vrijheidsontnemende maatregel. Volgens artikel 94, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 moet deze kennisgeving uiterlijk op de achtentwintigste dag na het besluit worden verzonden, tenzij de vreemdeling zelf al beroep heeft ingesteld.

De Raad van State stelde vast dat de kennisgeving niet was verzonden binnen de gestelde termijn (15 maart tot 11 april 2019) en dat de vreemdeling pas op 12 april 2019 beroep had ingesteld. Hierdoor was de maatregel vanaf 12 april 2019 onrechtmatig. De Raad van State vernietigde daarom het vonnis van de rechtbank, verklaarde het beroep gegrond, en hief de vrijheidsontnemende maatregel op met ingang van de dag van de uitspraak.

Daarnaast kende de Raad van State aan de vreemdeling een schadevergoeding toe over de periode van 12 april tot en met 9 mei 2019 en veroordeelde de staatssecretaris tot vergoeding van de proceskosten. Hiermee werd het recht op een tijdige kennisgeving en de gevolgen van het niet naleven daarvan bevestigd.

Uitkomst: De vrijheidsontnemende maatregel wordt opgeheven en de vreemdeling krijgt een schadevergoeding toegekend wegens niet tijdige kennisgeving.

Uitspraak

201903418/1/V3.
Datum uitspraak: 9 mei 2019
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 25 april 2019 in zaak nr. NL19.8653 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 14 maart 2019 is aan de vreemdeling een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.
Bij uitspraak van 25 april 2019 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. Y.M. Schrevelius, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1.    De vreemdeling klaagt in zijn enige grief dat de rechtbank niet heeft onderkend dat, omdat de staatssecretaris niet uiterlijk op de achtentwintigste dag na de bekendmaking van de vrijheidsontnemende maatregel een kennisgeving aan de rechtbank heeft verzonden, terwijl door hem op die dag nog geen beroep was ingesteld, de aan hem opgelegde vrijheidsontnemende maatregel onrechtmatig is.
2.    De staatssecretaris stelt uiterlijk op de achtentwintigste dag na de bekendmaking van een besluit tot oplegging van een vrijheidsontnemende maatregel als bedoeld in artikel 6, de rechtbank hiervan in kennis, tenzij de vreemdeling daarvoor zelf beroep heeft ingesteld (artikel 94, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000; hierna: de Vw 2000).
2.1.    De termijn voor het doen van voornoemde kennisgeving begint op de dag na het besluit tot vrijheidsontneming (uitspraak van de Afdeling van 8 mei 2002, ECLI:NL:RVS:2002:AE4844). Het niet tijdig verzenden van de kennisgeving aan de rechtbank leidt met ingang van de dag volgend op de dag waarop deze had moeten worden verzonden tot onrechtmatigheid van de vrijheidsontnemende maatregel (uitspraak van de Afdeling van 25 april 2005, ECLI:NL:RVS:2005:AT6202).
2.2.    De termijn voor het inzenden van de kennisgeving is in dit geval aangevangen op 15 maart 2019 en geëindigd op 11 april 2019. Niet is gebleken dat de staatssecretaris een kennisgeving aan de rechtbank heeft verzonden. Uit het dossier blijkt daarnaast dat de vreemdeling pas op 12 april 2019 beroep heeft ingesteld tegen de aan hem opgelegde vrijheidsontnemende maatregel. De vreemdeling klaagt gelet hierop terecht dat de rechtbank de maatregel ten onrechte niet met ingang van 12 april 2019 onrechtmatig heeft geacht.
De grief slaagt.
3.    Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van de vreemdeling tegen het besluit van 14 maart 2019 alsnog gegrond verklaren. De vrijheidsontnemende maatregel wordt opgeheven met ingang van vandaag. Ook heeft de vreemdeling recht op schadevergoeding (artikel 106, eerste lid, van de Vw 2000). Deze vergoeding wordt daarom aan de vreemdeling toegekend. De staatssecretaris moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.    verklaart het hoger beroep gegrond;
II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 25 april 2019 in zaak nr. NL19.8653;
III.    verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep gegrond;
IV.    bepaalt dat de vrijheidsontnemende maatregel krachtens artikel 6 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 met ingang van vandaag wordt opgeheven;
V.    kent aan de vreemdeling een vergoeding toe van € 2.240,00 (zegge: tweeduizend tweehonderdveertig euro) over de periode 12 april 2019 tot en met 9 mei 2019, ten laste van de Staat der Nederlanden, te betalen door de griffier van de Raad van State;
VI.    veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.536,00 (zegge: vijftienhonderdzesendertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzitter, en mr. J.Th. Drop en mr. A.W.M. Bijloos, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.T. Annen, griffier.
w.g. Verheij    w.g. Annen
voorzitter    griffier
Uitgesproken in het openbaar op 9 mei 2019
765.