ECLI:NL:RVS:2019:151
Raad van State
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- H. Troostwijk
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen kostenverhaal bestuursdwang bij onjuist aanbieden huishoudelijk afval
Het college van burgemeester en wethouders van Den Haag heeft op 20 februari 2018 spoedeisende bestuursdwang toegepast door een doos te verwijderen die naast een aangewezen inzamelvoorziening was geplaatst in strijd met de Afvalstoffenverordening 2010. De kosten van deze bestuursdwang, een bedrag van €126,00, zijn voor rekening van appellante gebracht. Appellante voerde aan dat zij de doos leeg en platgevouwen in de papiercontainer had achtergelaten en dat de doos later door een ander was uitgevouwen en naast de container geplaatst.
De Afdeling bestuursrechtspraak overwoog dat op grond van artikel 5:25 Awb Pro de kosten van bestuursdwang voor rekening van de overtreder komen, waarbij overtreder degene is die de overtreding pleegt of medepleegt. Omdat de doos met een adressticker van appellante was aangetroffen, mocht het college uitgaan van het bewijsvermoeden dat appellante de overtreder was, tenzij zij het tegendeel aannemelijk maakte.
Appellante slaagde er niet in dit bewijsvermoeden te weerleggen. De verklaring van haar echtgenoot was onvoldoende objectief en ook de afstand tussen haar woning en de inzamelvoorziening bood geen steun aan haar stelling. De Afdeling benadrukte dat het hier niet ging om een boete maar om het verhalen van een deel van de kosten voor het verwijderen van de doos. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.
Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen het kostenverhaal van bestuursdwang wegens onjuist aanbieden van afval wordt ongegrond verklaard.