ECLI:NL:RVS:2019:1550
Raad van State
- Hoger beroep
- E. Steendijk
- Rechtspraak.nl
Bevestiging toeslagpartnerstatus en berekening toeslagen op grond van Awir
De Belastingdienst/Toeslagen had aan appellante voor 2017 voorschotten zorgtoeslag en kindgebonden budget toegekend, die zij vervolgens herzag omdat zij oordeelde dat persoon van 1 april tot 1 juli 2017 de toeslagpartner van appellante was. Appellante had een huurovereenkomst met persoon die inging op 1 april 2017, maar beiden stonden vanaf 16 maart 2017 op hetzelfde adres ingeschreven in de basisregistratie personen (Brp).
De rechtbank oordeelde dat de Belastingdienst in beroep was teruggekomen op zijn eerdere standpunt en vernietigde het besluit van 13 juni 2018 wegens strijd met het motiveringsvereiste, maar handhaafde de rechtsgevolgen omdat persoon op grond van artikel 3 Awir Pro als toeslagpartner moest worden aangemerkt.
Appellante voerde in hoger beroep aan dat de huurovereenkomst bewust op 1 april 2017 was gesteld omdat toeslagen altijd per maand ingaan en verzocht om een uitzondering vanwege bijzondere omstandigheden. De Afdeling bestuursrechtspraak stelde vast dat de inschrijving in de Brp onbetwist was en dat de keuze voor de ingangsdatum van de huurovereenkomst voor risico van appellante kwam.
De Afdeling bevestigde dat de rechtbank artikel 3 Awir Pro juist had uitgelegd en dat de Belastingdienst terecht het inkomen van persoon had betrokken bij de toeslagberekening. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.