ECLI:NL:RBDHA:2021:7800
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Terugvordering kindgebonden budget niet in evenredige verhouding bij wijziging toeslagpartnerschap
Eiseres ontvangt kindgebonden budget en kinderopvangtoeslag. Verweerder heeft de medebewoner van eiseres als toeslagpartner aangemerkt met terugwerkende kracht vanaf 1 januari 2019, waardoor het kindgebonden budget werd herzien en teruggevorderd. Eiseres betwist deze terugvordering en stelt dat zij een alleenstaande moeder is en dat de terugvordering haar financieel zwaar treft.
De rechtbank stelt vast dat de medebewoner terecht als toeslagpartner is aangemerkt op grond van de inschrijving in de Basisregistratie Personen en de toepasselijke wetgeving (Awir). Echter, verweerder heeft geen concrete en individuele belangenafweging gemaakt bij de terugvordering, zoals vereist volgens artikel 3:4 Awb Pro. De belangenafweging is ondeugdelijk en onvoldoende gemotiveerd.
De rechtbank weegt mee dat eiseres tot 25 oktober 2019 met twee volwassenen en haar kinderen woonde, en dat de wijziging van het partnerschap door het vertrek van een medebewoner een bijzondere omstandigheid vormt. Hierdoor is de terugvordering van het kindgebonden budget over de periode van 1 januari 2019 tot 1 november 2019 niet in evenredige verhouding tot de gevolgen voor eiseres.
De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover het de terugvordering over deze periode betreft en draagt verweerder op het betaalde griffierecht te vergoeden. De uitspraak is gedaan door rechter E. Kouwenhoven op 12 augustus 2021.
Uitkomst: De terugvordering van het kindgebonden budget over 1 januari tot 1 november 2019 wordt vernietigd wegens ondeugdelijke belangenafweging.