ECLI:NL:RVS:2019:1581
Raad van State
- Hoger beroep
- J.A.W. Scholten-Hinloopen
- G.M.H. Hoogvliet
- D.A. Verburg
- Rechtspraak.nl
Bevestiging boete wegens overtreding Wet arbeid vreemdelingen ondanks betwisting aanwezigheid werknemer
De minister legde [appellante] een boete op van €8.000,- voor het overtreden van artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav) en €1.500,- voor overtreding van artikel 15, tweede en vierde lid, van de Wav, in totaal €9.500,-. De boete werd opgelegd omdat een werknemer zonder geldige tewerkstellingsvergunning werkzaamheden had verricht en de identiteit van deze werknemer niet correct was vastgelegd.
[Appellante] betwistte dat de werknemer de werkzaamheden in haar pand had verricht en voerde aan dat zij voldoende controles had uitgevoerd om overtreding te voorkomen. De rechtbank oordeelde echter dat voldoende bewijs bestond dat de werkzaamheden waren verricht en dat [appellante] onvoldoende maatregelen had genomen om overtredingen te voorkomen.
De Raad van State bevestigt dit oordeel en wijst het beroep af. De Afdeling overweegt dat de bewijslast bij het bestuursorgaan ligt en dat bij twijfel het voordeel van de twijfel aan de betrokkene moet worden gegeven, maar dat in deze zaak het bewijs overtuigend was. Ook is geoordeeld dat het ontbreken van schriftelijke afspraken en registratie van controles onvoldoende is om verwijtbaarheid te ontkennen. Daarnaast is een matiging van de boete niet terecht omdat niet aan de voorwaarden voor een specifieke matigingsgrond werd voldaan. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt omdat de omstandigheden van de vergelijkbare zaak wezenlijk verschillen.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de boete van €9.500,- wegens overtreding van de Wet arbeid vreemdelingen en verklaart het hoger beroep ongegrond.