ECLI:NL:RVS:2019:1613
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- E. Steendijk
- J.J. van Eck
- Rechtspraak.nl
Vaststelling gegrondheid hoger beroep staatssecretaris tegen afwijzing verblijfsvergunning asiel
De staatssecretaris heeft bij besluit van 29 juni 2018 de aanvraag van de vreemdeling voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen. De rechtbank Den Haag verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond en vernietigde het besluit, met de opdracht aan de staatssecretaris een nieuw besluit te nemen.
Zowel de staatssecretaris als de vreemdeling gingen in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De staatssecretaris klaagde dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat niet duidelijk was of het asielrelaas van de vreemdeling met verhoogde aandacht was beoordeeld. De Afdeling oordeelde dat de staatssecretaris Oekraïne terecht als veilig land van herkomst had aangemerkt en dat hij de individuele omstandigheden van de vreemdeling voldoende had betrokken in zijn beoordeling, waardoor het besluit deugdelijk was gemotiveerd.
Het hoger beroep van de vreemdeling werd als kennelijk ongegrond verworpen omdat het geen vragen bevatte die van belang zijn voor rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming. De uitspraak van de rechtbank werd vernietigd en het beroep van de vreemdeling tegen het besluit van 29 juni 2018 alsnog ongegrond verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep van de staatssecretaris wordt gegrond verklaard en het beroep van de vreemdeling ongegrond, waarbij het eerdere vonnis wordt vernietigd.