ECLI:NL:RVS:2019:1613

Raad van State

Datum uitspraak
20 mei 2019
Publicatiedatum
20 mei 2019
Zaaknummer
201900742/1/V2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • N. Verheij
  • E. Steendijk
  • J.J. van Eck
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 91 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling gegrondheid hoger beroep staatssecretaris tegen afwijzing verblijfsvergunning asiel

De staatssecretaris heeft bij besluit van 29 juni 2018 de aanvraag van de vreemdeling voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen. De rechtbank Den Haag verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond en vernietigde het besluit, met de opdracht aan de staatssecretaris een nieuw besluit te nemen.

Zowel de staatssecretaris als de vreemdeling gingen in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De staatssecretaris klaagde dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat niet duidelijk was of het asielrelaas van de vreemdeling met verhoogde aandacht was beoordeeld. De Afdeling oordeelde dat de staatssecretaris Oekraïne terecht als veilig land van herkomst had aangemerkt en dat hij de individuele omstandigheden van de vreemdeling voldoende had betrokken in zijn beoordeling, waardoor het besluit deugdelijk was gemotiveerd.

Het hoger beroep van de vreemdeling werd als kennelijk ongegrond verworpen omdat het geen vragen bevatte die van belang zijn voor rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming. De uitspraak van de rechtbank werd vernietigd en het beroep van de vreemdeling tegen het besluit van 29 juni 2018 alsnog ongegrond verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het hoger beroep van de staatssecretaris wordt gegrond verklaard en het beroep van de vreemdeling ongegrond, waarbij het eerdere vonnis wordt vernietigd.

Uitspraak

201900742/1/V2.
Datum uitspraak: 20 mei 2019
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op de hoger beroepen van:
1.    de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,
2.    [de vreemdeling],
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 28 december 2018 in zaak nr. NL18.13927 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris.
Procesverloop
Bij besluit van 29 juni 2018 heeft de staatssecretaris, voor zover thans van belang, een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, opnieuw afgewezen.
Bij uitspraak van 28 december 2018 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen.
Tegen deze uitspraak hebben de staatssecretaris en de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. M.R. van der Linde, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.
De vreemdeling heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
In het hoger beroep van de staatssecretaris
1.    In de enige grief klaagt de staatssecretaris dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat niet duidelijk is geworden of de beoordeling van het asielrelaas van de vreemdeling voldoet aan de maatstaf van verhoogde aandacht voor lesbiennes, homoseksuelen, biseksuelen, transgenders en personen met een intersekse conditie als bedoeld in zijn brief aan de voorzitter van de Tweede Kamer van 11 juni 2018 omdat hij het asielrelaas niet anders heeft beoordeeld dan gebruikelijk is. De staatssecretaris betoogt dat 'verhoogde aandacht' niet betekent dat een ander beoordelingskader geldt of zwaardere motiveringseisen. Hij verwijst naar de uitspraak van de Afdeling van 22 december 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3605.
1.1.    Uit de uitspraak van 22 december 2017 volgt dat de aanwijzing van een groep die verhoogde aandacht vraagt, slechts tot doel heeft de beslismedewerker erop te wijzen dat bij deze personen de aanwijzing van een veilig land van herkomst in individuele gevallen mogelijk niet kan worden tegengeworpen. Dit leidt niet tot een ander beoordelingskader, nu van een vreemdeling uit die groep, zoals van andere vreemdelingen, wordt verwacht dat hij aannemelijk maakt dat Oekraïne in zijn geval niet veilig is.
1.2.    Niet in geschil is dat de staatssecretaris Oekraïne, met uitzondering van de gebieden die niet onder de effectieve controle van de centrale autoriteiten staan, terecht heeft aangemerkt als veilig land van herkomst. Ook is niet in geschil dat de staatssecretaris rekening heeft gehouden met wat de vreemdeling heeft verklaard, recente ontwikkelingen in Oekraïne en landeninformatie zoals die is vervat in rapporten.
1.3.    Omdat de staatssecretaris op deze manier de door de vreemdeling gestelde individuele omstandigheden heeft betrokken in de beoordeling, heeft hij, anders dan de rechtbank heeft overwogen, het besluit deugdelijk gemotiveerd. De grief slaagt.
In het hoger beroep van de vreemdeling
2.    Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000).
Conclusie
3.    Het hoger beroep van de staatssecretaris is kennelijk gegrond en het hoger beroep van de vreemdeling is kennelijk ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van de vreemdeling tegen het besluit van 29 juni 2018 alsnog ongegrond verklaren. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.    verklaart het hoger beroep van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid gegrond;
II.    verklaart het hoger beroep van de vreemdeling ongegrond;
III.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 28 december 2018 in zaak nr. NL18.13927;
IV.    verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzitter, en mr. E. Steendijk en mr. J.J. van Eck, leden, in tegenwoordigheid van mr. P.A.M.J. Graat, griffier.
w.g. Verheij    w.g. Graat
voorzitter    griffier
Uitgesproken in het openbaar op 20 mei 2019
307-894.