ECLI:NL:RVS:2019:1788
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing machtiging tot voorlopig verblijf in hoger beroep
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 10 november 2015 de aanvraag van de vreemdeling om een machtiging tot voorlopig verblijf af. De vreemdeling maakte bezwaar, dat bij besluit van 25 juli 2016 ongegrond werd verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling tegen dit besluit gegrond en vernietigde het besluit, waarbij de staatssecretaris werd opgedragen een nieuw besluit te nemen.
De staatssecretaris stelde hiertegen hoger beroep in bij de Raad van State. Tijdens de procedure werden prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie, waarop het hof op 7 november 2018 antwoord gaf. Na ontvangst van de reactie van de vreemdeling werd het onderzoek gesloten.
De Raad van State oordeelde dat het hoger beroep niet tot vernietiging van het vonnis van de rechtbank leidt, omdat het hogerberoepschrift geen nieuwe vragen bevat die van belang zijn voor rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming. Het hoger beroep werd kennelijk ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
De minister van Justitie en Veiligheid werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdeling en tot betaling van griffierecht. De uitspraak werd in het openbaar gedaan op 29 mei 2019 door de enkelvoudige kamer van de Afdeling bestuursrechtspraak.
Uitkomst: Het hoger beroep van de staatssecretaris wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.