ECLI:NL:RVS:2019:1829
Raad van State
- Hoger beroep
- E. Helder
- G.M.H. Hoogvliet
- A. ten Veen
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid hoger beroep wegens niet-betaling griffierecht ondanks vermogen
Bij besluit van 8 mei 2017 heeft het college een last onder bestuursdwang opgelegd aan appellante en andere gebruikers van een pand in Amsterdam om het gebruik als logiesgebouw/hotel te staken. Dit besluit werd gehandhaafd na bezwaar en het beroep bij de rechtbank werd niet-ontvankelijk verklaard. Appellante stelde in hoger beroep niet in staat te zijn het griffierecht te betalen en vroeg vrijstelling op grond van betalingsonmacht.
De griffier vroeg een verklaring aan de Raad voor Rechtsbijstand waaruit bleek dat appellante een inkomen had onder 90% van de bijstandsnorm en geen belastbaar vermogen. Appellante verklaarde dat deze gegevens actueel waren en dat zij geen vermogen had. Desondanks oordeelde de Afdeling dat het pand waarvan appellante mede-eigenaar is en dat niet uitsluitend als hoofdverblijf dient, moet worden betrokken bij de beoordeling van haar vermogen.
Omdat appellante niet aannemelijk had gemaakt dat er voldoende schulden tegenover de waarde van het pand stonden om het vermogen te neutraliseren, kon niet worden aangenomen dat zij niet in staat was het griffierecht te betalen. Na een schriftelijke mededeling en termijn om het griffierecht alsnog te voldoen, bleef betaling uit. Daarom werd het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-betaling van het griffierecht.
Uitkomst: Het hoger beroep is niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-betaling van het griffierecht ondanks het bezit van vermogen.