ECLI:NL:RVS:2019:1859
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- G.M.H. Hoogvliet
- Rechtspraak.nl
Voorlopige voorziening tegen uitzetting vreemdeling tijdens hoger beroep asielweigering
De vreemdeling had een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, die door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid op 25 september 2018 werd afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling tegen deze afwijzing op 8 mei 2019 ongegrond. Hiertegen stelde de vreemdeling hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De vreemdeling verzocht vervolgens de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening te treffen, zodat zij niet uitgezet zou worden voordat op het hoger beroep was beslist en dat zij gedurende die periode opvang en verstrekkingen zou ontvangen conform de Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers.
De voorzieningenrechter oordeelde dat het verzoek toewijsbaar was, mede gelet op een eerdere uitspraak van 20 februari 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:457). De staatssecretaris werd tevens veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdeling, die volledig toe te rekenen waren aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
De voorzieningenrechter bepaalde daarom dat de vreemdeling niet mag worden uitgezet totdat het hoger beroep is afgerond en legde de kostenveroordeling op aan de staatssecretaris.
Uitkomst: De vreemdeling mag niet worden uitgezet totdat op het hoger beroep is beslist en de staatssecretaris moet de proceskosten vergoeden.