ECLI:NL:RVS:2019:1902

Raad van State

Datum uitspraak
11 juni 2019
Publicatiedatum
12 juni 2019
Zaaknummer
201904004/2/V3
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • J.J. van Eck
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 64 Vreemdelingenwet 2000Art. 8:81 Algemene wet bestuursrechtArt. 8:83 Algemene wet bestuursrecht
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening tegen uitzetting vreemdeling in hoger beroep

De vreemdeling had een aanvraag ingediend op grond van artikel 64 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 om te bepalen dat zijn uitzetting achterwege blijft. Dit verzoek werd op 30 augustus 2018 door de staatssecretaris afgewezen. Het bezwaar van de vreemdeling werd eveneens ongegrond verklaard op 29 november 2018. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling op 23 april 2019 ongegrond. Hiertegen stelde de vreemdeling hoger beroep in en verzocht tegelijkertijd de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening.

De voorzieningenrechter overwoog dat het verzoek om voorlopige voorziening toewijsbaar is, mede gelet op een eerdere uitspraak van 20 februari 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:457). De vreemdeling wordt daarom beschermd tegen uitzetting totdat het hoger beroep is beslist. Tevens werd de minister van Justitie en Veiligheid veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van €512,00, toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

De uitspraak werd gedaan door voorzieningenrechter mr. J.J. van Eck in aanwezigheid van griffier mr. W.M. Vos op 11 juni 2019. Hiermee is de vreemdeling voorlopig beschermd tegen uitzetting gedurende de procedure van het hoger beroep.

Uitkomst: De vreemdeling wordt voorlopig beschermd tegen uitzetting totdat het hoger beroep is beslist en de minister wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.

Uitspraak

201904004/2/V3.
Datum uitspraak: 11 juni 2019
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
verzoeker,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 23 april 2019 in zaak nr. 18/9141 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 30 augustus 2018 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om krachtens artikel 64 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 te bepalen dat zijn uitzetting achterwege blijft, afgewezen.
Bij besluit van 29 november 2018 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 23 april 2019 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling hoger beroep ingesteld.
Voorts heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Overwegingen
1.    De vreemdeling heeft de voorzieningenrechter verzocht bij wijze van voorlopige voorziening te bepalen dat hij niet wordt uitgezet voordat op het hoger beroep is beslist en dat hem gedurende die periode opvang en verstrekkingen voorzien bij of krachtens de Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers worden geboden.
2.    Gelet op wat is aangevoerd, komt het verzoek, in het licht van de uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling van 20 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:457, op na te melden wijze voor toewijzing in aanmerking.
3.    De staatssecretaris, nu de minister van Justitie en Veiligheid, moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.    bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat de vreemdeling niet wordt uitgezet, totdat op het door hem ingestelde hoger beroep is beslist;
II.    veroordeelt de minister van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 512,00 (zegge: vijfhonderdtwaalf euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. J.J. van Eck, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. W.M. Vos, griffier.
w.g. Van Eck    w.g. Vos
voorzieningenrechter    griffier
Uitgesproken in het openbaar op 11 juni 2019
644.