ECLI:NL:RVS:2019:193
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- E. Helder
- E.J. Daalder
- Rechtspraak.nl
Bevestiging last onder dwangsom wegens afmeren pontonboot als object in beheersgebied Amsterdam
Het algemeen bestuur van het stadsdeel Centrum heeft appellant bij besluit van 19 december 2016 gelast zijn pontonboot, aangeduid als [vaartuig], weg te halen en weg te houden uit het beheersgebied, onder oplegging van een dwangsom. Appellant betwistte dat het vaartuig als object in de zin van de Verordening op het binnenwater (Vob) moest worden aangemerkt en voerde aan dat het een pleziervaartuig is. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat het vaartuig een object is en dat de last duidelijk is geformuleerd.
In hoger beroep betoogde appellant dat het vaartuig voldoet aan de definitie van pleziervaartuig volgens de Wet pleziervaartuigen en dat de rechtbank ten onrechte aansluiting zocht bij uiterlijke kenmerken en bouw. Ook stelde hij dat de last onduidelijk was en dat het gelijkheids- en vertrouwensbeginsel waren geschonden. De Afdeling overwoog dat het algemeen bestuur terecht aansluiting mocht zoeken bij de bouw, inrichting en uiterlijke kenmerken voor de kwalificatie als pleziervaartuig. Het vaartuig vertoont meer gelijkenis met een object zoals omschreven in de Vob dan met een pleziervaartuig.
De Afdeling verwierp het beroep op onduidelijkheid van de last, omdat varen door de binnenwateren is toegestaan. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalde omdat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat het algemeen bestuur in vergelijkbare gevallen anders handelde. Het vertrouwensbeginsel werd verworpen omdat geen wijziging van de Vob was gebleken en het beleid niet onrechtmatig was.
De Afdeling bevestigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het hoger beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de last onder dwangsom blijft gehandhaafd.