ECLI:NL:RVS:2019:1988

Raad van State

Datum uitspraak
26 juni 2019
Publicatiedatum
26 juni 2019
Zaaknummer
201806090/1/A1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • H. Troostwijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4 APV ArnhemArt. 1 Uitvoeringsbesluit artikel 4.2.3.5, derde lid APV
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond tegen kosten bestuursdwang wegens onjuist aanbieden huishoudelijk afval

Het college van burgemeester en wethouders van Arnhem heeft op 6 februari 2018 spoedeisende bestuursdwang toegepast door een vuilniszak te verwijderen die onjuist was aangeboden naast een ondergrondse afvalcontainer. In de vuilniszak werd een zorgpas met de naam van appellante aangetroffen, waardoor het college haar als overtreder aanmerkte en kosten van €140,00 aan haar oplegde.

Appellante voerde aan dat zij niet is gehoord in de bezwaarprocedure omdat zij niet op het adres woonde waar de uitnodiging voor de hoorzitting werd gestuurd en dat zij niet de overtreder was, mogelijk was een medebewoner verantwoordelijk. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat appellante het college niet had geïnformeerd over haar gewijzigde adres en dat het risico van het niet ontvangen van de uitnodiging voor haar rekening komt.

Verder is volgens vaste rechtspraak de persoon tot wie afvalstoffen kunnen worden herleid de overtreder, tenzij het tegendeel aannemelijk wordt gemaakt. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij niet verantwoordelijk was, ook niet met het argument dat een medebewoner de vuilniszak had geplaatst. De keuze om afval via een medebewoner aan te bieden is voor eigen risico.

Het beroep is daarom ongegrond verklaard en er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep van appellante tegen de kostenoplegging voor bestuursdwang wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

201806090/1/A1.
Datum uitspraak: 26 juni 2019
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellante], wonend te Arnhem,
en
het college van burgemeester en wethouders van Arnhem,
verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 26 februari 2018 heeft het college zijn beslissing om op 6 februari 2018 spoedeisende bestuursdwang toe te passen wegens het op onjuiste wijze aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen, op schrift gesteld. Daarbij heeft het college vermeld dat een gedeelte van de kosten van de toepassing van bestuursdwang (€ 140,00) voor rekening van [appellante] komt.
Bij besluit van 26 juni 2018 heeft het college het door [appellante] hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Tegen dit besluit heeft [appellante] beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 juni 2019, waar [appellante] en het college, vertegenwoordigd door P.T.F.A. de Boer, zijn verschenen.
Overwegingen
1.    De toepassing van spoedeisende bestuursdwang heeft bestaan uit het verwijderen van een vuilniszak die op 6 februari 2018 naast een ondergrondse afvalcontainer aan de Koewei te Arnhem is aangetroffen. Omdat in de vuilniszak een zorgpas met de naam van [appellante] is aangetroffen, heeft het college haar aangemerkt als overtreder van artikel 4 van Pro de Algemene Plaatselijke Verordening voor Arnhem in samenhang met artikel 1 van Pro het Uitvoeringsbesluit artikel 4.2.3.5, derde lid, APV. [appellante] woonde destijds op de [locatie] op kamers in het kader van ‘begeleid wonen’ of ‘kamer training’ van de Stichting Lindehout.
2.    [appellante] betoogt dat zij in de bezwaarprocedure ten onrechte niet is gehoord. Zij heeft de uitnodiging van de hoorzitting niet ontvangen omdat zij niet meer op het adres [locatie] woonde en dakloos was.
2.1.    Bij brief van 11 juni 2018 is [appellante] uitgenodigd voor de hoorzitting op 21 juni 2018 over haar bezwaarschrift. [appellante] is op de hoorzitting niet verschenen. De uitnodiging is verstuurd naar het adres [locatie], Arnhem. Dit adres komt overeen met het in het bezwaarschrift vermelde adres en met het adres dat in de Basiregistratie Personen (BRP) van de gemeente is opgenomen. [appellante] heeft het college niet in kennis gesteld van het feit dat zij niet meer op dat adres woonde en heeft evenmin een (gewijzigd) correspondentieadres doorgegeven. Dat de uitnodiging voor de hoorzitting [appellante] niet heeft bereikt en zij dus niet op de hoogte was van de hoorzitting, komt dan ook voor haar risico.
Het betoog faalt.
3.    [appellante] betoogt verder dat zij niet de overtreder is. Zij stelt dat zij niet degene is geweest die de vuilniszak naast container heeft gezet. Mogelijk was dat een medebewoner. Zij heeft de leidinggevende van het begeleid wonen dit ook laten weten, maar die heeft het verder niet uitgezocht, aldus [appellante].
3.1.    Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling mag ervan worden uitgegaan dat de persoon tot wie de aangetroffen afvalstoffen kunnen worden herleid, ook de overtreder is, tenzij de betrokkene het tegendeel aannemelijk maakt. Zie voor een uiteenzetting van deze rechtspraak de uitspraak van 18 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2432.
3.2.    De op 6 februari 2018 aangetroffen vuilniszak is tot [appellante] herleidbaar, omdat daarin een zorgpas met haar naam is aangetroffen. Dit betekent dat het college ervan mag uitgaan dat [appellante] de overtreder is, tenzij zij aannemelijk maakt dat zij niet degene is geweest die de vuilniszak op onjuiste wijze heeft aangeboden. Met de stelling dat de vuilniszak mogelijk door een ander naast de container is gezet, heeft zij dit niet aannemelijk gemaakt.
Ook als [appellante] zou worden gevolgd in de stelling dat niet zij, maar een medebewoner de vuilniszak ter inzameling heeft aangeboden, leidt dat niet tot de conclusie dat [appellante] niet verantwoordelijk kan worden gehouden voor de overtreding. De keuze van [appellante] om haar huishoudelijke afvalstoffen door een medebewoner ter inzameling te laten aanbieden, komt voor haar rekening en risico. Het verkeerd aanbieden van de vuilniszak door een medebewoner dient dan ook aan [appellante] te worden toegerekend.
Hetgeen [appellante] heeft aangevoerd geeft daarom geen aanleiding voor het oordeel dat het college haar ten onrechte als overtreder heeft aangemerkt.
Het betoog faalt.
4.    Het beroep is ongegrond.
5.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. G.J. Deen, griffier.
w.g. Troostwijk
lid van de enkelvoudige kamer    De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.
Uitgesproken in het openbaar op 26 juni 2019
190.