ECLI:NL:RVS:2019:2002
Raad van State
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- H. Troostwijk
- Rechtspraak.nl
Beroep ongegrond tegen bestuursdwang en kosteninvordering inzake onjuist aanbieden huishoudelijk afval
Het college van burgemeester en wethouders van Den Haag heeft op 23 april 2018 spoedeisende bestuursdwang toegepast wegens het in strijd met de Afvalstoffenverordening aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen. Op 1 mei 2018 werd dit besluit schriftelijk bevestigd en werden de kosten van €126,00 aan appellant opgelegd. Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, dat door het college op 31 augustus 2018 ongegrond werd verklaard. Hiertegen stelde appellant beroep in bij de Raad van State.
De bestuursdwang betrof het verwijderen van een doos die naast een aangewezen inzamelvoorziening was aangetroffen met een adressticker die naar appellant herleidbaar was. Appellant voerde aan dat niet hij, maar een kennis de doos had aangeboden en dat de toezichthouder de doos uit de containerklep had gehaald en naast de container had geplaatst. De Raad van State overwoog dat de persoon tot wie afvalstoffen kunnen worden herleid in principe als overtreder wordt aangemerkt, tenzij het tegendeel aannemelijk wordt gemaakt. De stellingen van appellant waren onvoldoende om hem niet als overtreder aan te merken.
Verder stelde appellant dat het telefonisch horen in bezwaar onzorgvuldig was, omdat hij onvoorbereid was overvallen door het gesprek. De Raad van State oordeelde dat appellant had ingestemd met het telefonisch horen en zijn standpunten voldoende had kunnen toelichten, zodat het horen zorgvuldig was verlopen. Ook het beroep op opschorting van de kosteninvordering slaagde niet omdat bezwaar en beroep geen schorsende werking hebben.
De Raad van State verklaarde het beroep ongegrond en wees een proceskostenveroordeling af.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit tot bestuursdwang en kosteninvordering wordt ongegrond verklaard.