ECLI:NL:RVS:2019:212
Raad van State
- Hoger beroep
- J.J. van Eck
- H.G. Lubberdink
- A.B.M. Hent
- Rechtspraak.nl
Vaststelling onvoldoende concrete beoordeling middelenvereiste bij aanvraag verblijfsvergunning
De vreemdeling, van Nigeriaanse nationaliteit, diende een aanvraag in voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd als familie- of gezinslid. De staatssecretaris wees deze aanvraag af wegens het niet voldoen aan het middelenvereiste, waarbij werd gesteld dat de referent onvoldoende duurzaam en zelfstandig over middelen beschikte. De rechtbank verklaarde het bezwaar van de vreemdeling gegrond en gaf de opdracht tot het verlenen van de vergunning.
De Raad van State oordeelde dat de staatssecretaris onvoldoende concrete beoordeling had gemaakt van de financiële situatie van de referent, maar dat de rechtbank ten onrechte zelf in de zaak had voorzien door de vergunning toe te kennen. De rechtbank had onvoldoende rekening gehouden met de noodzaak van een nieuwe beoordeling door de staatssecretaris op basis van aanvullende informatie over het vermogen, het bestedingspatroon en het arbeidsperspectief van de referent.
De Raad van State vernietigde daarom het deel van het vonnis dat de vergunning toekende en bevestigde het overige. De staatssecretaris moet een nieuw besluit nemen waarbij de vreemdeling en referent gelegenheid krijgen om nadere gegevens te verstrekken. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en het deel van het vonnis dat de vergunning toekent wordt vernietigd; de staatssecretaris moet een nieuw besluit nemen.