ECLI:NL:RVS:2019:2163
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Bevestiging toeslagpartnerstatus bij gezamenlijke inschrijving op woonadres zonder zakelijke huurrelatie
De Belastingdienst/Toeslagen kende aan appellante voor 2018 voorschotten toe voor inkomensafhankelijke regelingen, waarbij haar zus als toeslagpartner werd aangemerkt omdat zij samen met appellante en haar minderjarige kind op hetzelfde adres stonden ingeschreven. Appellante voerde aan dat haar zus op zakelijke gronden een gedeelte van de woning huurt, wat een uitzondering op het partnerbegrip zou vormen.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, waarna appellante hoger beroep instelde bij de Raad van State. Appellante overhandigde een onderlinge huurovereenkomst voor kamerhuur, maar de Raad van State oordeelde dat deze overeenkomst niet bewijst dat de zus daadwerkelijk huurt van appellante, aangezien beiden medehuurder zijn van de woning bij de verhuurder.
De woning bestaat uit één geheel zonder te onderscheiden woonruimtes en de gezamenlijke huurovereenkomst met de verhuurder maakt het onmogelijk dat de zus een deel van de woning zakelijk huurt van appellante. De Raad van State bevestigde daarom de eerdere uitspraak dat de zus terecht als toeslagpartner is aangemerkt en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: De toeslagpartnerstatus van de zus is terecht vastgesteld en het hoger beroep wordt ongegrond verklaard.