ECLI:NL:RVS:2019:2326
Raad van State
- Hoger beroep
- G.M.H. Hoogvliet
- Rechtspraak.nl
Bevestiging uitspraak rechtbank over handhaving garage-opbouw en bouwwerken in De Rijp
Appellant verzocht het college van burgemeester en wethouders van Alkmaar om handhavend op te treden tegen een garage-opbouw en andere bouwwerken op een perceel in De Rijp. Het college wees dit verzoek af, stellende dat de garage-opbouw vergunningvrij was behalve een geringe bouwhoogteoverschrijding, en dat bedrijfsactiviteiten niet strijdig waren met het bestemmingsplan. De rechtbank oordeelde dat voor de opbouw een omgevingsvergunning vereist was en dat het college bevoegd was om handhavend op te treden, maar dat het college onvoldoende had gemotiveerd dat handhaving onevenredig was. De rechtbank vernietigde het besluit en beval een nieuw besluit op bezwaar.
In hoger beroep betoogde appellant dat de bouwhoogte en goothoogte van de garage-opbouw onjuist waren gemeten en dat handhavend optreden niet onevenredig was. De Afdeling oordeelde dat het college onvoldoende had gemotiveerd dat de goothoogte aan de achterzijde lager was dan toegestaan en dat handhaving gerechtvaardigd was. De Afdeling bevestigde de uitspraak van de rechtbank, maar vernietigde het besluit van 9 juli 2018 omdat het college onvoldoende had onderbouwd dat de overtreding van de bebouwingsoppervlakte was opgeheven. De Afdeling beval het college een nieuw besluit te nemen en veroordeelde het college tot vergoeding van proceskosten.
De zaak benadrukt het belang van een zorgvuldige en volledige motivering door bestuursorganen bij handhavingsbesluiten, zeker bij bouwkundige overtredingen en de toepassing van het bestemmingsplan. Tevens wordt bevestigd dat handhaving in beginsel moet plaatsvinden tenzij bijzondere omstandigheden concreet zicht op legalisatie bieden of handhaving onevenredig is.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard, het besluit van 9 juli 2018 wordt vernietigd en het college moet een nieuw besluit nemen.