ECLI:NL:RVS:2019:2373
Raad van State
- Hoger beroep
- E. Steendijk
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing machtiging voorlopig verblijf vreemdeling
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 17 maart 2017 de aanvraag van de vreemdeling om een machtiging tot voorlopig verblijf af. De vreemdeling maakte bezwaar, dat op 5 januari 2018 ongegrond werd verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling tegen deze beslissing gegrond en vernietigde het besluit, met de opdracht aan de staatssecretaris een nieuw besluit te nemen.
Zowel de staatssecretaris als de vreemdeling gingen in hoger beroep bij de Raad van State. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat noch het incidenteel hoger beroep van de vreemdeling, noch het hoger beroep van de staatssecretaris vragen bevatte die van belang zijn voor rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming. Daarom werden beide beroepen als kennelijk ongegrond verworpen.
De uitspraak van de rechtbank werd bevestigd. De staatssecretaris werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten van €512,00, toe te rekenen aan professionele rechtsbijstand, en werd een griffierecht van €508,00 opgelegd. De uitspraak werd door een enkelvoudige kamer van de Afdeling bestuursrechtspraak gewezen.
Uitkomst: De Afdeling bestuursrechtspraak bevestigt het vonnis van de rechtbank en verklaart het hoger beroep van partijen kennelijk ongegrond.