ECLI:NL:RVS:2019:2381
Raad van State
- Hoger beroep
- E. Steendijk
- Rechtspraak.nl
Bevestiging uitspraak rechtbank inzake afwijzing machtiging voorlopig verblijf vreemdelingen
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid heeft op 19 april 2016 aanvragen om een machtiging tot voorlopig verblijf voor vreemdelingen afgewezen. Hiertegen maakten de vreemdelingen en hun referent bezwaar, die op 20 april 2017 opnieuw ongegrond werden verklaard door de staatssecretaris. De rechtbank Den Haag verklaarde het beroep van de vreemdelingen en referent op 23 augustus 2018 gegrond, vernietigde de besluiten en bepaalde dat de staatssecretaris een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van de uitspraak.
De staatssecretaris stelde hiertegen hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De vreemdelingen gaven een schriftelijke uiteenzetting. De Raad van State oordeelde dat het hoger beroep geen nieuwe vragen bevat die van belang zijn voor rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming en verklaarde het hoger beroep kennelijk ongegrond.
De uitspraak van de rechtbank werd bevestigd, de staatssecretaris werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten van €512,00 en tot betaling van griffierecht van €508,00. De uitspraak werd op 11 juli 2019 in het openbaar uitgesproken door de enkelvoudige kamer van de Raad van State.
Uitkomst: Het hoger beroep van de staatssecretaris wordt kennelijk ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.