ECLI:NL:RVS:2019:2393

Raad van State

Datum uitspraak
12 juli 2019
Publicatiedatum
12 juli 2019
Zaaknummer
201903081/1/V2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:2 AwbArt. 6:22 AwbArt. 8:54 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit afwijzing verblijfsvergunning asiel wegens onvoldoende hoorplicht

De vreemdeling met de Somalische nationaliteit verzocht om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke door de staatssecretaris op 30 januari 2019 werd afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, ondanks dat zij erkende dat de staatssecretaris de vreemdeling onvoldoende had gehoord over zijn gestelde afvalligheid.

De vreemdeling stelde dat hij afvallig was en verwees naar een ambtsbericht en een rapport van het US State Department waaruit bleek dat afvalligheid in heel Somalië tot ernstige problemen kan leiden. De rechtbank had echter het gebrek van het niet horen van de vreemdeling gepasseerd op grond van artikel 6:22 Awb Pro, omdat niet vaststond uit welk deel van Somalië de vreemdeling afkomstig was.

De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de rechtbank ten onrechte dit gebrek had gepasseerd, omdat afvalligheid in heel Somalië tot problemen kan leiden. Het hoger beroep werd gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en het besluit van de staatssecretaris vernietigd wegens strijd met artikel 3:2 Awb Pro. Tevens werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten.

Uitkomst: Het besluit van de staatssecretaris tot afwijzing van de verblijfsvergunning wordt vernietigd en het beroep van de vreemdeling wordt gegrond verklaard.

Uitspraak

201903081/1/V2.
Datum uitspraak: 12 juli 2019
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 11 april 2019 in zaak nr. NL19.2102 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 30 januari 2019 heeft de staatssecretaris, voor zover thans van belang, een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij uitspraak van 11 april 2019 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. M. Stoetzer-van Esch, advocaat te Lent, hoger beroep ingesteld.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1.    De vreemdeling heeft de Somalische nationaliteit. Hij heeft in zijn zienswijze, voor zover nu van belang, gesteld dat hij afvallig is. De staatssecretaris heeft zich in het besluit op het standpunt gesteld dat de vreemdeling geenszins aannemelijk heeft gemaakt dat deze stelling waar is. De staatssecretaris heeft zich verder op het standpunt gesteld dat de vreemdeling zijn herkomst uit Zuid-Somalië niet aannemelijk heeft gemaakt. De rechtbank heeft onbestreden overwogen dat de staatssecretaris het besluit onzorgvuldig heeft genomen, omdat hij de vreemdeling onvoldoende in de gelegenheid heeft gesteld om zijn gestelde afvalligheid nader te onderbouwen door hem daarover niet te horen. De rechtbank heeft vervolgens dit gebrek met artikel 6:22 van Pro de Awb gepasseerd, omdat de staatssecretaris niet kan beoordelen welk gevaar er van de gestelde afvalligheid uitgaat, zolang niet vaststaat uit welk deel van Somalië de vreemdeling afkomstig is. Daarbij heeft de rechtbank van belang geacht dat de situatie in Centraal- en Zuid-Somalië en de situatie in Noord-Somalië erg van elkaar verschillen.
2.    De vreemdeling klaagt in zijn enige grief terecht dat de rechtbank ten onrechte het in 1 genoemde gebrek heeft gepasseerd. De vreemdeling heeft ter onderbouwing van zijn grief verwezen naar een passage uit het algemeen ambtsbericht Centraal- en Zuid-Somalië van 23 november 2017, waarin staat dat ook in gebieden in Somalië die niet onder controle staan van Al-Shabaab het volstrekt taboe is om te tonen dat men niet gelovig is en dat ook daar afvalligheid tot bijzonder grote problemen leidt (p. 45). Uit de voetnoot bij deze passage volgt dat deze informatie gebaseerd is op informatie uit het 'Somalia 2016 International Religious Freedom Report' van het US State Department van 15 augustus 2017. Dat rapport gaat niet alleen over Centraal- en Zuid-Somalië, maar ook over Noord-Somalië. Omdat aldus afvalligheid in heel Somalië tot problemen kan leiden, heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat de staatssecretaris niet kan beoordelen welk gevaar er van de gestelde afvalligheid uit zou gaan. De rechtbank heeft dan ook ten onrechte overwogen dat het gebrek, dat de staatssecretaris de vreemdeling niet over zijn gestelde afvalligheid heeft gehoord, met artikel 6:22 van Pro de Awb kan worden gepasseerd.
De grief slaagt.
3.    Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De uitspraak van de rechtbank moet worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou moeten doen, zal de Afdeling het beroep van de vreemdeling alsnog gegrond verklaren en het besluit van 30 januari 2019 wegens strijd met artikel 3:2 van Pro de Awb vernietigen.
4.    De staatssecretaris moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.    verklaart het hoger beroep gegrond;
II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 11 april 2019 in zaak nr. NL19.2102;
III.    verklaart het in die zaak ingestelde beroep gegrond;
IV.    vernietigt het besluit van 30 januari 2019, kenmerk […];
V.    veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1536,00 (zegge: vijftienhonderdzesendertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. C.J. Borman, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.W. Prins, griffier.
w.g. Verheij    w.g. Prins
voorzitter    griffier
Uitgesproken in het openbaar op 12 juli 2019
363-844.