ECLI:NL:RBDHA:2020:9642
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing opvolgende asielaanvraag Somalische verzoeker wegens ontbreken vervolgingsgrond
Eiser, een Somalische nationaliteit bezittende persoon, diende zijn derde asielaanvraag in na eerdere verlening en intrekking van een verblijfsvergunning. De aanvraag werd afgewezen als kennelijk ongegrond, waarop eiser beroep instelde.
De rechtbank onderzocht of aan eiser na terugkeer verwestering kan worden toegedicht, waarbij hij stelt dat hij sinds zijn vijftiende in Nederland verblijft, niet praktiserend religieus is en geen kennis meer heeft van de Somalische cultuur. De rechtbank oordeelde dat verwestering alleen kan leiden tot een asielvergunning als deze voortkomt uit een godsdienstige of politieke overtuiging of uit moeilijk veranderbare kenmerken die vervolging rechtvaardigen. Dit was niet het geval.
Ook is niet gebleken dat in eisers voormalige woonplaats Abduwak een actor van vervolging aanwezig is. De beweging Al Shabaab is daar niet aan de macht en de stelling van eiser dat Al Shabaab invloed heeft, is niet aannemelijk gemaakt. De rechtbank concludeert dat de afwijzing terecht is en verklaart het beroep ongegrond.
Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak kan binnen een week hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard.