ECLI:NL:RVS:2019:2402
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- E. Steendijk
- C.C.W. Lange
- Rechtspraak.nl
Afwijzing machtiging tot voorlopig verblijf wegens onvoldoende gezinsbanden met referent
De zaak betreft een Syrische vreemdeling van 70 jaar die een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) aanvraagt om bij haar zoon in Nederland te verblijven. De staatssecretaris wees de aanvraag af omdat niet aannemelijk was gemaakt dat er meer dan normale emotionele banden bestaan tussen de vreemdeling en haar zoon, zoals vereist onder artikel 8 EVRM Pro.
De rechtbank had het bezwaar van de vreemdeling gegrond verklaard en het besluit vernietigd, maar de staatssecretaris stelde hoger beroep in. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat de rechtbank ten onrechte onvoldoende gewicht had toegekend aan de exclusiviteit van de afhankelijkheid tussen vreemdeling en referent.
Na toetsing van de beroepsgronden concludeert de Raad dat de vreemdeling onvoldoende objectief bewijs heeft geleverd van hulpbehoevendheid en exclusieve afhankelijkheid van haar zoon, mede gezien het verblijf bij haar dochter en zus in Syrië. Ook het feit dat de zoon bereid is te zorgen is onvoldoende om meer dan normale emotionele banden aan te nemen.
De Raad verklaart het hoger beroep van de staatssecretaris gegrond, vernietigt het vonnis van de rechtbank en verklaart het beroep van de vreemdeling ongegrond. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en het besluit tot afwijzing van de mvv gehandhaafd.