ECLI:NL:RVS:2019:2404

Raad van State

Datum uitspraak
12 juli 2019
Publicatiedatum
15 juli 2019
Zaaknummer
201904226/2/V2
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 72 lid 3 Vreemdelingenwet 2000
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening tegen uitzetting vreemdeling met minderjarige kinderen

De vreemdeling heeft een verzoek ingediend om een voorlopige voorziening te treffen die haar voorgenomen uitzetting op 13 juli 2019 zou tegenhouden. Dit verzoek werd ingediend na afwijzing van haar aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel en niet-ontvankelijk verklaring van haar hoger beroep.

De vreemdeling maakte tevens bezwaar tegen haar feitelijke uitzetting en verzocht de voorzieningenrechter van de rechtbank om opschorting van de uitzetting totdat op het bezwaar was beslist. Dit verzoek werd doorgeleid naar de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

De voorzieningenrechter overwoog dat het verzoek in het licht van eerdere uitspraken voor toewijzing in aanmerking komt en bepaalde bij wijze van voorlopige voorziening dat de vreemdeling niet op 13 juli 2019 om 14.40 uur wordt uitgezet. Tevens werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van €512,00.

Uitkomst: De uitzetting van de vreemdeling en haar minderjarige kinderen op 13 juli 2019 wordt bij wijze van voorlopige voorziening opgeschort.

Uitspraak

201904226/2/V2.
Datum uitspraak: 12 juli 2019
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht) van:
[de vreemdeling], mede voor haar minderjarige kinderen,
verzoekster.
Procesverloop
De vreemdeling heeft een verzoek ingediend tot het treffen van een voorlopige voorziening om haar voor 13 juli 2019 voorgenomen uitzetting tegen te gaan.
Daarnaast heeft de vreemdeling krachtens artikel 72, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 bezwaar gemaakt tegen haar feitelijke uitzetting. De vreemdeling heeft dit bezwaarschrift aan de voorzieningenrechter van de Afdeling toegezonden.
Verder heeft de vreemdeling aan de voorzieningenrechter van de rechtbank verzocht bij wijze van voorlopige voorziening te bepalen dat zij niet wordt uitgezet totdat op het bezwaarschrift is beslist. Dit verzoek is door de griffier van de rechtbank ter behandeling aan de voorzieningenrechter van de Afdeling doorgezonden.
Het bezwaarschrift en het verzoek aan de voorzieningenrechter van de rechtbank worden aangemerkt als een nadere onderbouwing van het bij de Afdeling ingediende verzoek.
Overwegingen
1.    Bij uitspraak van 23 mei 2019 in zaak nr. NL19.4689 heeft de rechtbank het beroep van de vreemdeling tegen het besluit van 22 februari 2019, waarbij haar aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd is afgewezen, ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 10 juli 2019 in zaak nr. 201904226/1/V2 heeft de Afdeling het hoger beroep van de vreemdeling niet-ontvankelijk verklaard.
2.    Gelet op wat in bezwaar tegen de feitelijke uitzetting is aangevoerd, komt het verzoek, in het licht van de uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling van 20 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:457, op na te melden wijze voor toewijzing in aanmerking.
3.    De staatssecretaris moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.    bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat de vreemdeling niet op 13 juli 2019 om 14.40 uur wordt uitgezet;
II.    veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 512,00 (zegge: vijfhonderdtwaalf euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. J.W. Prins, griffier.
w.g. Bijloos    w.g. Prins
voorzieningenrechter    griffier
Uitgesproken in het openbaar op 12 juli 2019
363-894.